MAROKKO EN DE SAHARA:

     DECONSTRUCTIE VAN EEN MODERNISERINGSCONFLICT.


Ron Haleber.

Uitgegeven bij: MERA-publicaties Amsterdam.

terug naar de homepage



Inhoudsopgave:

Inleiding. Deel 1. Avonturen rond handel in goud en slaven.
- Saharaberbers veroveren Marokko. - Ahmed de overwinnaar.- Ahmed's eunuchs en hun woestijnavonturen. - Rijkdom en verraad.- Handel met de Engelse Elisabeth.

Deel 2. Ontdekken als voorwendsel tot veroveren.
Zucht naar avontuur en zendingsdrang bij Europese her-ontdekkingsreizigers. - Charles de Foucauld: van militaire spion tot heilige missionaris - Waanzinnige militair-wetenschappelijke expedities.

Deel 3. De Sahara en de intriges van het kolonialisme. Het grensbedrog van Lyautey. Lyautey slaags met de Saharawie-sjeichs.

deel 4. Sultanale legitimiteit versus de moderne natiestaat.
Bai'a als daad van erkenning van het kalifaat. - De uitspraak van het Internationale Hof van Justitie.

Deel 5. Actuele politieke tegenstellingen bij het West-Sahara-conflict.
Partijdige stellingnames.

Deel 6. Verloop van het conflict en kansen voor een oplossing. Omslag in Algerijnse politiek. - 1975: het conflict barst los. - politieke winst van Polisario via OAE, VN EN EU. - Ontwikkelingen in de West-Sahara zelf. - De rol van Amerika en Rusland. - Laatste ontwikkelingen: Oplossing in zicht?
Conclusie. Noten. Beschijvende bibliografie West-Sahara




Voorwoord bij de publicatie op internet in 2004.

De tekst werd oorspronkelijk als essay gepubliceerd in de reeks van de MERA (Middle East Research Associates, universitair studie- en publicatiecentrum te Amsterdam). Sinds de verschijning ervan in 1988 is de huidige stand van zaken nagenoeg ongewijzigd. Een bewerking zou dus - afgezien van een update van de VN-bemoeienis - tot weinig of geen wijziging van de tekst leiden. De inspanningen van de VN gedurende de afgelopen decennia om met beide partijen via referenda cq.verkiezingen tot een vergelijk te komen, bleven volstrekt vruchteloos. Een accoord over de West Sahara is dus uitgebleven en ook nu nog niet in zicht.

Het essay werd door specialisten in de studie van Marokko als de historicus en islamoloog prof. dr. P.S. van Koningsveld (Universiteit van Leiden) en de sociaal-geograaf cq. oud-diplomaat Paolo De Mas (IMES, UvA) in hun persoonlijke reacties met veel lof ontvangen. Ik gaf volgens hun zeggen een helder leesbare en belangwekkende analyse van het conflict rond de West Sahara. De door mij beschreven historische contekst en feiten werden door hen niet betwist. Ook mijn objectief wetenschappelijke instelling t.a.v. het conflict werd niet betwijfeld.

Ik dank dr. P.S. van Koningsveld voor het doorlezen van het essay vóóraf aan de publicatie en voor zijn kritische opmerkingen - die ik meest overnam. De transcriptie van arabische namen en termen zijn naar gangbaar advies van arabist/koranvertaler dr. Fred Leemhuis overeenkomstig de wijze waarop deze in het nederlands worden uitgesproken.

Vanzelfsprekend werd mij dit essay dat recht probeert te doen aan het historisch ontstaan en de contekst van dit hardnekkig conflict, door de beide betrokken partijen niet in dank afgenomen. Enerzijds verweet het toen actieve Polisario-Comité mij natuurlijk partijdigheid. Ik werd in hun nieuws-bulletin voor een soort ‘verrader' van de goede zaak van de afhankelijkheidsstrijd van de Saharawies uitgemaakt die volgens hen te kwader trouw was. Anderzijds is het duidelijk dat ik me scherp distantieer van de politieke geschiedsschrijving van Marokkanen als in Marokko van Abdallah Laroui (hoogleraar aan Mohamed V, universiteit van Rabat) en hier te lande van dr.P.K.Huibregtse - zie voor beide auteurs de bibliografie. Ook van oficieel Marokkaanse kant ontving ik dus nimmer een positieve reactie.

De eerste editie van de MERA-publicatie was al snel uitverkocht en mij bereikten ook lang daarna nog verzoeken om een tweede editie. Jammer genoeg verhinderde een conflict met het studie-centrum over een geheel ander punt, het realiseren van een nieuwe uitgaaf.

Mijn historisch relaas leest m.i. als een kleurige en spannende detective. Veel van de verbazingwekkende feiten worden namelijk in de officiële geschiedsschrijving verzwegen wegens polemische overwegingen die de periode van het kolonialisme voor Fransen, Nederlanders en Marokkanen aanvaardbaar moet kunnen maken.

De auteur behoudt hierbij het copyright van zijn integrale tekst en verzoekt bij het citeren daarvan uitdrukkelijk de titel, het jaartal en de plaats van verschijning te vermelden. Uw opmerkingen zag ik mede ter eventuele beantwoording graag terug in mijn ‘guestbook' op mijn site www.ronhaleber.nl .


Dr. Ron Haleber, juni 2004 Amsterdam.



MAROKKO EN DE SAHARA: DECONSTRUCTIE VAN EEN MODERNISERINGSCONFLICT.

Ron Haleber

Inleiding.

Als de voortekenen niet bedriegen nadert het geldverslindende conflict van Marokko met het Polisario-Front een eindfase[voetnoot 1]. In de media komt de strijd van het Polisario slechts zeer sporadisch aan de orde, evenals het overig nieuws uit de Maghreb hoewel een 150.000 medeburgers uit die regio afkomstig zijn. Niet belicht worden verbanden die voor goed begrip van de feiten noodzakelijk zijn zoals de historische banden van Marokko met de Sahara. Hoe is het gekomen dat Marokko zijn invloed over grote gebieden van de Sahara die het eens deed gelden, in de koloniale periode kwijtraakte? Waarom heeft anti-koloniaal verzet en oude verbondenheid met die gebieden niet geleid tot een deel uitmaken van de West-Sahara aan de moderne Marokkaanse natiestaat? Waarom bleven de uitspraken van het Internationale Hof van Justitie in Den Haag, aan wie Marokko zijn claims voorlegde, zeer dubbelzinnig? Het Sahara-conflict is de uitkomst van historisch ingrijpende veranderingen die in de vorm van moderne staatsvormingsprocessen geïntroduceerd werden van Europese kant. Daarmee nauw verbonden zijn modern nationalisme en nationale onafhankelijkheidsstrijd die ontstonden in reactie op koloniale manipulaties en regionale politieke verschillen. Een standpunt innemen in dit conflict kan eerst geschieden op grond van kennis van deze historische, politieke en sociale achtergronden en verbanden die tot nog toe -zeker in Nederlandse publicaties- niet aan de orde gesteld werden.[2]

DEEL 1. AVONTUREN ROND HANDEL IN GOUD EN SLAVEN.

Sinds prehistorische tijden bestaat er tussen Marokko en de zwarte rijken van Ghana een levendige handel. Een tien eeuwen geleden werden er door Marokkaanse handelaren goud en zwarte slaven geruild tegen zout dat in het Noorden van de Sahara gedolven werd in de zoutmijnen bij Taghaza. Dit lag voor de kameelkaravanen een 20 dagreizen ver op de route naar Ghana. Later in de 18e en 19e eeuw ruilde men ook goud tegen Europese produkten. Het nu tot ruïnes vervallen Sijilmassa in de Tafilelt, tussen Rachidia en Erfoud, was de belangrijkste Marokkaanse entrepotstad. Daar werden de handelswaren opgeslagen en verhandeld. Het goud werd doorverkocht naar Europa, waar het van vitaal belang was voor de Europese geldeconomie[3]. Pas toen Europese schepen in de 16e eeuw de oceanen konden bevaren probeerde men zelf het goud uit Afrika te halen. Eerst waren het de Portugezen geweest die de kusten van Marokko en West Afrika bezetten. De Spanjaarden volgden. Maar hun rijkdommen aan goud kwamen vooral uit Zuid Amerika, uit het El Dorado, het mythische goudland van de Amerikaanse indianen. Daarmee daalde het belang van de Marokkaanse karavaanhandel snel.

SAHARABERBERS VEROVEREN MAROKKO.

Abdoellah ibn Yasin heette de puriteinse prediker die in de elfde eeuw de Al Moerabitoen stichtte, een groep Saharawies van de Sanhaja-stam die als Berbervorsten de heerschappij over Marokko en Spanje verwierven. Hij begon in 1042 een djihaad tegen andere stammen in de Sahara met als zijn thuisbasis de West-Sahara. De Saharawies droegen toen ook al sluiers voor hun gezicht en werden daarom de `dragers van de litham' genoemd. Hun naam Moerabitoen ontlenen zij aan de ribat's, de versterkte vestingen die als streng islamitische kloosters dienst deden[4]. Bij intrede kreeg je bij voorbeeld een zestig zweepslagen toegediend om je van je zonden te zuiveren. De door de stammen gekozen Aboe Bakr kreeg als taak het Zuiden te verdedigen. Hij gaf zijn neef Yoessef ibn Tasjfin opdracht het centrum van Marokko te veroveren. Deze Yoessef stichtte in 1062 de stad Marrakech en veroverde daarna Tlemcen in het huidige Algerije. Hij trok daarna naar Spanje om het islamitisch grondgebied te verdedigen tegen de oprukkende christenen. Rond 1102 regeerden de Al Morabitoen van de rivier Senegal tot de rivier Ebro in Spanje. Aboe Bakr veroverde in het Zuiden aan de andere kant van de Sahara zelfs de hoofdstad van het `heidense' Ghana, Koembi geheten. Die rijke Afrikaanse handelsstad bestond uit twee delen, één voor de moslims en één voor de `heidenen'. Naast goud werden er zwarte slaven verhandeld die men op de negerstammen buitmaakte. Nadat hij in 1087 stierf verbrokkelde het gezag al snel. De grondlegger van de wetenschap over maatschappelijke verschijnselen, de sociologie, Ibn Khaldoen vertelt ons hoe in de Maghreb steeds stammen, die een hard en moedig leven gewend waren uit de Sahara of de bergen naar de steden in de vruchtbare kustvlakten trokken. Daar versloegen zij de door het luxe leven corrupt geworden stedelingen, tot deze weer op hun beurt verzwakt door de gemakken van het stadsleven, werden verslagen door nieuwe stammen. Zo werden de Al Morabitoen later weer afgelost door een nieuwe Berberdynastie, de Almohaden uit de Atlasbergen. Ibn Toemert was hun messias, hun mahdi, die in Tinmel in het hoge Atlasgebergte zijn fort had gebouwd. Hij zette een leger op van 30.000 man met kamelen en paarden, trok daarop naar het noorden, versloeg de emir van Sijilmassa in de Tafilelt en kon zo strategisch de Atlas-passen controleren, die toegang gaven tot de kustvlakte met de koningssteden. In 1057 kwam hij bij een gevecht om, maar de goudhandel met Zwart Afrika bleef nog voor eeuwen belangrijk en de relatie van Marokko tot de Sahara bepalen.

AHMED DE OVERWINNAAR.

In 1578 vond de voor de toekomst van Marokko belangrijke slag der drie koningen plaats bij Ksar al Kebir, die ook nu nog vaak in de Marokkaanse media besproken wordt. Door de Portugezen was een complot beraamd om Marokko te onderwerpen. Drie vorsten namen aan de slag deel: de Portugese vorst Don Sebastian, Abdel Malik -een sultan uit de Saädierfamilie-, plus nog een Marokkaanse troonpretendent Moetawakkil geheten, die omdat de Marokkanen hem niet hadden willen erkennen, de hulp van de Portugezen inriep om aan de macht te komen. Marokko's onafhankelijkeid stond op het spel. Zou Marokko in zijn geheel een kolonie van Portugal worden, nadat de Portugezen al zoveel kuststeden als El Jadida, Safi en Asilah in handen hadden? De Marokkaanse sultan Abdel Malik stierf op slagveld. Zijn 29-jarige broer Ahmed had hij voor de veldslag al tot zijn opvolger benoemd. Deze noemde zich na de overwinning Al Mansoer, de overwinnaar. De Engelsen hadden de Marokkanen de nodige wapens geleverd om de slag te kunnen winnen. Met de onafhankelijkheid van Portugal was het afgelopen. Het land kwam onder het Spanje van de dictatoriale Philips II: wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in. Al Mansoer bedong voor de christelijke gevangenen een fikse losprijs en bouwde van het geld in Marrakech een prachtig paleis. Nu nog kan men er de graven van de Saadiërs bewonderen. Zijn voornaamste welvaart betrok Al Mansour vanuit het Zwart Afrikaanse Songhai-rijk. Daarvandaan stroomde het goud in overvloed binnen. Die gebieden waren door de Europeanen nog niet via zee te bereiken en ze waren voor hun goudhandel op Marokko aangewezen. Zout uit Taghaza en uit de West-Sahara diende de Marokkanen als ruilmiddel.

AHMED'S EUNUCHS EN HUN WOESTIJNAVONTUREN.

Nadat Al Mansoer de handen had vrijgekregen rustte hij eerst expedities uit naar de woestijnoase Toeat, die nu in Algerije ligt. Daarna werd een woestijnleger uitgerust om naar het Zuiden te trekken onder leiding van caïd Djoedar, een blauwogige spaanse, bekeerde eunuch uit Granada. De Marokkaanse vorsten hadden in die tijd Europese christelijke huurlingen in dienst. Met toestemming van de paus werden zij geleverd door christelijke koningen. Die Europeanen waren onpartijdig bij de twisten tussen het hof en de stammen en ook had de sultan niets van ze te vrezen. Zo'n Europese gastarbeider had het in die tijd er blijkbaar voor over om voor een hoge vertrouwenspositie aan het hof zich te laten castreren en als eunuch door het leven te gaan. Twee eeuwen later verving sultan My Ismaïl de christenhuurlingen door een leger van even onpartijdige zwarte Afrikanen, die als slaven uit het Zuiden waren aangevoerd. Nog steeds heeft de koning een trouwe zwarte garde. Met Berbergeneraals van eigen bodem als Oufkir is het nog steeds kwaad kersen eten, zoals uit de aanslagen in 1971 en 1973 blijkt. Sultan Ismaïl dwong alle haratin, de negerslaven in het leger te gaan. Hij organiseerde een speciaal soort family planning om zijn zwarte leger zo snel mogelijk uit te breiden en te veredelen met de sterkste mannen. Eunuch Djoedar nu ging op pad met tien andere caïds, waaronder nog vier andere moslimbekeerlingen. Hij kreeg een ruiterij van 500 ruiters, ook meest `renegaten' en 2000 man infanterie, die half uit Andalusiërs en voor de rest uit Marokkanen bestond. Daarnaast trokken een 1000 kameeldrijvers mee om voor de 8000 kamelen en 1000 pakpaarden te zorgen. In 1590 vertrok men. Slechts 1000 man kwamen na vele ontberingen bij de rivier de Niger aan. Tegenover de vuurwapens van de Marokkanen konden de Afrikanen niets uitrichten en zij werden verslagen. In de stad Gao bij de Niger werd het leger hartelijk welkom geheten door de daar al wonende Marokkaanse kooplieden. Gao bleek echter niet het verhoopte El Dorado, maar een verzameling lemen hutten. Ook het evenzo teleurstellende Timboektoe werd ingenomen. Een gezant werd naar Mansoer in Marrakech gestuurd met het bericht dat het resultaat erg tegenviel. Mansoer maakte zich er boos over dat zijn caïd Djoedar hem enkel over armoedige toestanden rapporteerde. Tegenover de Turkse consul schepte hij echter op door deze het vermeende hoofd van de koning van het Songhairijk te laten zien.

RIJKDOM EN VERRAAD.

Uit teleurstelling over Djoedar stuurde Mansoer een andere eunuch op pad die eveneens opgevoed was in zijn paleis. Deze, Mahmoed ibn Zarqoen geheten, was de speciale caïd voor de bekeerlingen van Europese afkomst (die in de westerse literatuur immer als `renegaten', afvalligen worden beschreven). Hij werd benoemd tot vervanger van Djoedar en vertrok met veertig medebekeerlingen naar het zuiden. Mahmoed trok de Sahara door en ging daarop het Westafrikaanse oerwoud in waar hij als onervarene door een zwart guerillaleger verslagen werd. In 1593 trok hij zich terug op Gao en Timboektoe. Om aan geld te komen beroofde hij in Timboektoe de burgers met een list. Hij riep ze in de moskee bijeen om ze zogenaamd de bai'a van onderwerping aan Mansoer te laten zweren. Toen ze daar aangekomen waren beval hij echter hun huizen leeg te halen en vermoordde allen in de moskee. De overgeblevenen zonden gezanten met klachten naar sultan Mansoer. Deze deed het voorkomen alsof hij verontwaardigd was en zei dat er genoegdoening zou geschieden. Maar in werkelijkheid stuurde hij aan het naar Timboektoe terugkerend gezantschap, dat door zijn hofbeambten begeleid werd, enige lieden vooraf met orders dat de gezanten terstond afgemaakt moesten worden bij aankomst... Hetgeen geschiedde. Caïd Djoedar handhaafde zich ondertussen als goeverneur in Zwart Afrika, vergiftigde waarschijnlijk zijn eigen legerleider en wurgde daarna nog een vroegere gouverneur van Timboektoe die hem naar de kroon stak. Tenslotte keerde Djoedar op verzoek van Mansoer terug naar Marokko. Hij trok Marrakech binnen met enorme schatten: dertig kamelen met goud, peper, ivoor, slaven, eunuchen en 15 maagden voor Mansoer's harem. Totaal werd alles wat hij meenam door een Engelse koopman, die de glorieuze terugkeer meemaakte, geschat op een waarde van 600.000 Engelse pond. Mansoer besteedde de schatten onder meer aan fortificatie van de kuststad Larache en aan twee vestingen in Fès. Daarnaast liet hij moskeen, scholen en paleizen bouwen door uit Europa aangetrokken handwerkslieden. Ook zette hij een Marokkaanse suikerindustrie op. Suiker werd later in de vorm van broden uit Engeland geïmporteerd. Ook nu nog zweren oude Marokkanen bij dit van oorsprong Engelse suikerbrood dat zij met een hamertje in stukken tikken om het in de berred (Marokkaanse theepot) te doen.

HANDEL MET DE ENGELSE ELISABETH.

De Engelsen waren Marokko's partners in 16e eeuw. Zij importeerden uit Marokko suiker en de grondstof voor buskruit, salpeter. Evenals suiker werd salpeter in Marokko onder leiding van Engelsen bereid. Ook exporteerde Marokko natuurlijk Afrikaans goud naar Engeland. Daarnaast bestond de handel uit struisvogelveren, de blauwe kleurstof indigo (gebruikt door de Saharawies die wegens hun blauwafgevende kleding daarom `de blauwe mannen' genoemd werden), bijenwas, dadels, paarden en zelfs valken voor de valkenjacht. Elisabeth vroeg Mansoer vaak om hulp en voedselleveranties bij haar strijd tegen Spanje. Sultan Mansoer vatte daarom het plan op samen met haar de Spanjaarden aan te vallen. Elisabeth vond dat wat te ver gaan voor haar Europese prestige en ze moest, bang haar salpeterimport te verliezen een beleefd excuus verzinnen. Ze stond toe dat Marokko van Engeland munitie en scheepsbouwmateriaal importeerde. Dit was eigenlijk verboden omdat die zaken in Marokko ook voor de scheepspiraterij gebruikt werden. Engelse kleding werd door Marokkanen op hun beurt weer naar de Soedan doorverkocht. In 1638 werd zo nog steeds Afrikaans goud door Marokko naar Engeland doorverhandeld, maar vergeleken met het goud dat de Spanjaarden uit Amerika haalden verzonk de Marokkaanse handel voortaan in het niets. Sultan Mansoer stierf in 1603. Zijn opvolger Zaydan ondernam geen expedities meer, maar liet de zelfstandig geworden Marokkanen in het Songhai-rijk met rust. Lang bevond zich er nog een aristocratische stam de `arma' die er typisch blank uitzag en zo een herinnering vormde aan de bekeerlingenlegers. De invloed van Marokko leeft er ook nu nog voort in de architectuur, de pottenbakkerstraditie en in de stijl van kleding en voeding. De banden van Marokko met de Sahara en de Soedan trotseren zo de eeuwen. Hoe kwam daar verandering in? Hoe bereikten de Fransen tenslotte in 1884 de rivier de Niger en hoe viel in 1894 Timboektoe in hun handen?

DEEL 2. ONTDEKKEN: VOORWENDSEL TOT VEROVEREN.

Sinds de tijd van de Phoeniciërs en de Romeinen werd de Sahara al bezocht, maar eerst beroemde Arabische reizigers deden uitgebreid verslag van steden en bewoners. De wereldreiziger Ibn Batoetta die in 1304 in Tanger werd geboren maakte zijn achtste grote reis in 1352 naar Timboektoe en Gao en deed daar uitgebreid verslag van. Een andere Arabier El Hassan Ben Mohammed uit Granada studeerde in Fès. Hij werd op terugtocht van de hadj door Corsicaanse piraten bij het Tunesische eiland Djerba gevangen genomen en wegens zijn grote wetenschappelijke kennis aan paus Leo X uitgeleverd. In 1520 werd hij door zijn pauselijke beschermheer gedoopt en nam diens naam aan. Voortaan was hij bekend als `Afrikaanse Leo', Leo Africanus. Omdat hij in het Italiaans verslag deed van zijn reizen werd deze beschrijving van Afrika een toonaangevende informatiebron voor Europeanen. Hij trok ook naar Timboektoe en de West-Sahara en beschreef uitvoerig de zeden en gewoonten van de Sanhaja en andere Sahara-stammen. Over Timboektoe deed hij zeer sprookjesachtig verslag hetgeen Europeanen nog eeuwen later inspireerde tot reizen met veel ontberingen.

ZUCHT NAAR AVONTUUR EN ZENDINGSDRANG BIJ EUROPESE HER-ONTDEKKINGSREIZIGERS.

Drie eeuwen later ontstond bij Europeanen eerst werkelijk interesse voor de Sahara. Zij leverden als her-ontdekkingsreizigers in het voetspoor van de Arabieren de nodige gegevens voor latere Europese militaire expedities. Deze reizigers uit de 19e eeuw werden aangelokt door de betoverende verhalen die zij bij Leo Africanus lazen over het goud en de rijkdom van Timboektoe. Verder dreef hen een ongekende zucht naar avontuur om witte plekken op de landkaart op te vullen. Vele `maatschappijen voor Afrika' en geografische genootschappen werden in die tijd opgericht. Deze financierden al of niet met regeringssteun expedities. Het Franse aardrijkskundig genootschap had een grote prijs van 10.000 franc uitgeloofd voor de eerste reiziger die een beschrijving van Timboektoe zou geven. Dit soort wetenschappelijke interesses in het tijdperk van de industriële revolutie was natuurlijk vermengd met imperialistisch-politieke bijgedachten. Ook speelde de enorme zendingsdrift om de `onbeschaafde' wereld met de Europese beschaving te doen kennismaken een grote rol. Zo wilde men in de loop van de 19e eeuw overal ter wereld de slavernij, waar men tot dan toe zelf erg van geprofiteerd had, afschaffen. Dat verschafte een `progresief' excuus `onbeschaafde' volkeren te onderwerpen en ten eigen bate uit te buiten.

De rivaliteit tussen Fransen en Engelsen speelde bij de ontdekkingsreizen een grote rol met op de achtergrond de concurrentiestrijd bij het veroveren van koloniale rijken. Zo vertrok de Engelsman Mungo Park in 1805 vanuit Senegal met veertig Europeanen - waaronder dertig soldaten- met het doel de rivier de Niger af te zakken. Toen hij de Niger uiteindelijk bereikte waren er nog maar elf man in leven vanwege de malaria en de disentrie. Twee kano's werden tijdens een oponthoud van twee maanden omgebouwd tot een boot van twaalf bij twee meter. Tenslotte reisde Park slechts met één luitenant en drie soldaten, waarvan er één al krankzinnig geworden was, 1500 km de Niger af. Hij moet toen 750 km voor de Nigerdelta óf verdronken zijn, óf gedood in een gevecht met de Haussastam. Zijn reputatie als genadeloze moordenaar van weerloze mensen bemoeilijkte de tochten van de na hem komende reizigers in de regio. Vanuit Tripoli probeerde de Brit Alexander Laing het in opdracht van het Engelse ministerie van koloniën in 1824 nogmaals. Bij Aïn Salah voegde hij zich bij een karavaan die echter door Touaregs werd overvallen. Zwaar gewond werd hij door de karavaanhandelaren op een van hun kamelen gebonden en op 18 augustus 1826 Timboektoe binnengebracht. Hij heeft het niet meer kunnen navertellen. Op de terugtocht werd Laing door Touaregs gewurgd; zijn papieren werden verbrand om de magische kracht ervan te vernietigen. Zijn vriend Clapperton ondernam dezelfde poging nog in 1825 vanuit Benin. Deze stierf echter al snel aan de koorts zonder het reisdoel Timboektoe ooit te bereiken.

Ook een jonge Fransman, Réné Caillé leed aan een ongebreidelde zucht naar avontuur als geïnspireerd lezer van de roman Robinson Crusoë. Hij bereidde zich grondig voor op zijn reizen en verdiende het meeste geld voor zijn tochten met eigen handen. Van 1824-27 leefde hij in Senegal. Daar verdiepte hij zich in het leven van de bewoners en leerde er de Arabische taal. Hij werd zelfs tijdelijk moslim en vastte serieus tijdens de ramadan, waarvoor hij door zijn omgeving bespot werd. In 1827 vertrok hij tenslotte vanuit Rio Nunez, ten noorden van Sierra Leone. Na een mars van 1500 kilometer bereikte hij de bovenloop van de Niger en werd er vriendelijk door de daar wonende Arabieren geholpen. Daarop voer hij per bootje naar Timboektoe, maar daar aangekomen was hij teleurgesteld over de grauwe lemen bouwsels. Hij had verwacht een sprookjesstad zoals beschreven door Leo Africanus aan te treffen. Twee weken bleef hij in Timboektoe en werd er gastvrij onthaald door de bewoners. Daarna liftte hij mee met een karavaan van duizend kamelen die slaven en koopwaar naar het noorden bracht. Via Fès kwam hij tenslotte uitgeput bij de Franse consul in Tanger aan, die zijn verhaal eerst niet wilde geloven. Hoewel ook vele anderen later beweerden dat hij het verhaal van zijn reis zelf verzonnen had, kreeg hij toch de prijs van 10.000 francs die de geografische vereniging had uitgeschreven voor degene die als eerste Timboektoe zou bereiken. Later vertrokken nog Duitsers als de wetenschapper Heinrich Barth. Deze was arabist en geoloog, historicus, geograaf en jurist. Samen met de Engelsman Richardson -die als eerste stierf- en de Duitse geoloog Overweg vertrok hij vanuit Tripoli in 1850. Ze bereikten het Tsaadmeer en na ruim een jaar trok Barth, nadat ook Overweg aan de malaria bezweken was, door naar Timboektoe dat hij op 7 september 1853 bereikte.

CHARLES DE FOUCAULD: VAN MILITAIRE SPION TOT HEILIGE MISSIONARIS

Fransen als Charles de Foucauld en de Markies de Segonzac verkenden en bereisden later in de 19e eeuw de `binnenlanden' van Marokko en kwamen met veel militair waardevolle gegevens terug, die in de volgende decennia gebruikt zouden worden om het land militair te overmeesteren. De katholieke missionaris Charles de Foucauld was eerst een zeer ambitieus militair geweest. In Algerije nam hij in de militaire periode van zijn leven contact op met joodse rabbijnen en kreeg van hen invitaties voor de joodse gemeenschap in Marokko. Zo trok hij -vermomd als jood-, het in die tijd voor Europese reizigers gevaarlijke Marokko door, tot ver in de Sousse en de Sahara. De joodse Marokkanen hadden natuurlijk wel door wie hij was, maar voor anderen wist hij zijn ware identiteit goed verborgen te houden. Zijn exacte reisbeschrijvingen met veel geografische details publiceerde hij in een beroemd boek, `Reconnaissance du Maroc', waar door militairen na hem dankbaar gebruik van werd gemaakt. Later, tot katholiek missionaris omgeschoold, wist hij maar weinig mensen te bekeren. Hij leefde als asceet met de Toearegs samen, verweg in de woestijn in Tamanrasset. Hij woonde daar in een klein armoedig kloosterfort waar hij Franse wapens verborg en in voortdurend contact stond met hoge Franse militairen als Lyautey die zijn ascese en discipline bewonderden. Bij een aanval van Toearegs op Franse posten werd hij door hen voor een verrader gehouden en in paniek doodgeschoten. Voor Franse katholieken geldt hij nog steeds als een heilige, een representant van de christelijke beschaving in het barbaarse Afrika. De door hem gestichte orde van `kleine broeders en zusters' woont nog steeds in de Maghreb.

WAANZINNIGE MILITAIR-WETENSCHAPPELIJKE EXPEDITIES.

In 1830 waren de Fransen Algerije binnengetrokken en hielden de stad Algiers en de kuststrook bezet. Zij rustten expedities naar het binnenland uit, vaak onder begeleiding van militaire escortes. Deze hadden tot doel het Franse gebied in Algerije naar het zuiden uit te breiden. Het wetenschappelijke doel van de expedities gold meest als voorwendsel om geld los te krijgen van wetenschappelijke genootschappen. Ook speelde idealisme als afschaffing van de slavernij een rol. Voorts bestond er een groots plan om een transsahara-spoorweg aan te leggen.

De eerste expeditie werd door de Fransman Paul Flatters opgezet. Hij had een opleiding tot officier gevolgd op de beroemde militaire academie St Cyr en kende Arabisch. In 1863 schreef hij een boek over de geschiedenis van Afrika vóór de tijd van de Arabieren. Door het Transsaharaspoorweg-comité werd hij uitgezonden samen met een aantal begeleiders in 1880. Zijn eerste reis naar Timimmoen verliep geslaagd, maar zijn tweede reis werd een catastrophe. De expeditieleden waren gedwongen alle kamelen op te eten en tenslotte begonnen de soldaten elkaar op te eten. Men slachtte een soldaat af en at hem op onder het mom van dood schaap te zijn. Een herder vond de verdwaalde en wanhopige groep en voerde de overlevenden terug naar de bewoonde wereld. Een andere expeditie werd uitgerust door de Markies de Mores. Deze overtuigde antisemiet kwam al snel aan zijn einde. Hij betaalde zijn gidsen namelijk te weinig, die hem daarop onder verwensingen verlieten. De volgende dag overvielen dezen de overgebleven leden van de expeditie. De markies raakte in paniek. Schoot daarbij met zijn revolver zijn eigen kameel dood, waarbij zijn geweer onder het dier terechtkwam. Voor hij er zelf aan ging wist De Mores eerst nog drie van zijn belagers te doden. De nationalistische Franse pers sloeg munt uit de moord op De Mores en riep om wraak in de vorm van een strafexpeditie. De woestijnpiraten moest een lesje geleerd worden. De joden en de Engelsen werd de schuld in de schoenen geschoven, zoals de antisemitisch markies al tevoren afgesproken had -mocht hem iets overkomen- met bevriende journalisten. Ook de rechts-koloniaal Lamy wilde een militaire expeditie organiseren. Hij begreep dat hij dat onder wetenschappelijk voorwendsel moest doen. In die tijd kreeg de geograaf Foureau van het Franse aardrijkskundige genootschap een 300.000 franc om per expeditie Algerije met de Sudan te verbinden. Lamy legde contact met hem en wist van regeringszijde nog eens 500.000 franc los te krijgen. De onderneming heette naar hen de Foureau-Lamy missie. Via Temassinin gingen ze in 1898 op weg naar het Tsaadmeer, maar ze kwamen niet verder dan het Hoggargebergte. Daar kidnapten ze mensen van de plaatselijke bevolking om ze als gijzelaars tegen kamelen en voedsel te kunnen ruilen. Luitenant Théodore Pein beraamde tenslotte de verovering van de onder Marokkaans beheer staande oases Toeat en Tikidelt, die nu midden in Algerije liggen. De Marokkaanse sultan claimde bij de grote mogendheden met succes dat deze tot Marokko behoorden. In de oases werd Marokkaans geld gebruikt en de sultan stelde de plaatselijke caïds aan. Zo erkenden bij voorbeeld de Engelsen zijn rechten op die plaatsen. Ook deden de bewoners tegenover de Franse dreiging een beroep op bescherming bij de Marokkaanse sultan. Zo werd door luitenant Pein de wetenschappelijke expeditie van de geoloog Flamand als voorwendsel bereid gevonden om begeleid te worden door een militair escorte. Pein ging het daarbij om een incident uit te lokken om nieuw gebied te kunnen veroveren. Natuurlijk deden Toearegs een aanval op het onwelkome legertje dat de naïeve geoloog begeleidde. Daarop nam Pein de strategisch gelegen oase In Salah in. De Franse regering gaf Pein echter niet de mogelijkheden om ook nog even het Hoggargebergte te bezetten en protesteerde tegelijk tegen de hele gang van zaken. Men zag tegen de kosten op en wilde geen problemen met Marokko. Toch wist de koloniale partij in Frankrijk de verovering aannemelijk te maken; zij maakte de eerste minister belachelijk door te schrijven: "De Minister-president stelt het voor alsof de geoloog Flamand te dicht bij In Salah aan het graven was geslagen. De regering werd toen gedwongen om ter bescherming daar het gehele gebied van de Sahara te bezetten. De reddingsoperatie leidde er toe dat zij de kamer moest vertellen `dat bezetting onvermijdelijk was geworden'. Als een klein kind voor zijn ouders zweert zij dat dat niet in de bedoeling had gelegen." [PS 222] De anti-kolonialen in Frankrijk waren verontwaardigd, het hele Sahara-avontuur leverde het land tenslotte niet meer op dan een kruidenierswinkel in een grote stad, zoals journalisten schreven. Zelfs de kosten voor het bezettingsgarnizoen aldaar kon de armoedige Sahara niet opbrengen. Steeds opnieuw moesten er voorwendsels gevonden worden om het voor het thuisfront aannemelijk te maken verder op te kunnen rukken. Elk Touareg-verzet tegen de Fransen werd aangegrepen om nieuw gebied te veroveren. Door de Fransen werden deze koloniale veroveringen overigens nog gelegitimeerd met een merkwaardige ideologie. Het gaat om de door hen ontworpen `Berbermythe', die vanuit het devies `verdeel en heers' een kunstmatig onderscheid in de Noordafrikaanse bevolking trachtte aan te brengen. De Berbers werden als de oorspronkelijke bewoners van de Maghreb gezien en als verwant aan de oude Romeinen en de Galliërs voorgesteld. Over die mythische verwantschap van de Toearegs met de Fransen schrijft de historicus Gautier: "Vanuit een duidelijke tegenstelling staan deze primitieven veel dichter bij ons dan de Arabieren. Zij hebben een veel opener houding, zijn veel nieuwsgieriger en men maakt makkelijker contact met ze. Ze kennen geen woord Arabisch, die heilige taal van de koran; ze houden geen ramadan; hun vrouwen bezitten een onafhankelijkheid die veel dichter bij ons feminisme staat dan de gewoontes van de moslims. Natuurlijk spreken ze Berbers, maar ze staan geïsoleerd in de wereld van geschreven talen. Bij hen en nergens anders is het gebruik van het oude Lybische schrift bewaard onder de naam van tifinah. Ze dragen nog steeds hun dolk om de arm zoals de Romein Corippus het beschreef. Zij zijn het laatste specimen, als onder een stolp bewaard, van de oude Libiër. Bij wat de Toearegs uit het erfgoed van de oude Berbers hebben bewaard valt het meest op de haat die ze hun Arabische overweldiger toedragen. Hun oorlog met de Arabieren is nimmer opgehouden.(...) Met hun zwaard dat herinnert aan de beschrijvingen van het Gallische zwaard bij Titus Livius (...) hebben ze eeuwenlang de Arabische invasie opgehouden." [E.-F. Gautier -hoogleraar aan de universiteit van Algiers- Le Sahara. Parijs 1928, p. 210] Deze mythen bezegelden de Franse koloniale heerschappij over de Saharawies.

DEEL 3. DE SAHARA EN DE INTRIGES VAN HET KOLONIALISME.

De Leidse historicus Wesseling stelt dat ook in Noord Afrika de kolonisatoren door de onderworpen volkeren vaak met gejuich werden binnengehaald.[3] Voor wat betreft de islamitische landen en zeker voor Marokko is dit onjuist. De islam inspireerde altijd tot de eis van onafhankelijkheid ten opzichte van niet-moslims. Lyautey die in 1912 met list en bedrog het Franse `beschermheerschap', het protectoraat over Marokko vestigde schrijft in zijn dagboeken vele malen dat hij de Marokkaanse grond onder zijn voeten voelde wegzinken. Temidden van opstandige stammen en een onwillige sultan was hij met zijn kleine leger afhankelijk van een slim diplomatiek spel dat de Marokkanen tegen elkaar uitspeelde en tot eindeloze compromissen met lokale leiders bereid moest zijn. Vooral de Sahara was de eerste jaren niet onder controle te krijgen. De Saharawies bleven tot het uiterste de onafhankelijkheid van Marokko verdedigen, ook toen de sultans Marokko al in feite al overgedragen hadden aan de Fransen.

HET GRENSBEDROG VAN LYAUTEY.

De Franse militair Lyautey -de latere resident van Marokko- was van Vietnam naar Algerije overgeplaatst[5]. De Franse regering verbood hem militaire veroveringen te maken om geen problemen met de Marokkaanse sultan te krijgen. In Parijs had men echter geen duidelijke kennis van de plaatselijke geografie: het leger bezette zo geen punten op de kaart, maar `zones', zodat de preciese positie van het leger vaag bleef. Voor de militairen dienden er dus geen grote operaties plaats te vinden, die op zouden vallen op de kaart en in de pers. Hoe het Marokkaanse Béchar ongemerkt te bezetten? Lyautey verzon er, toen hij het in 1903 veroverde, een andere naam voor. Hij noemde het naar Colomb, een Franse onderzoeker, zo inspelend op het Franse chauvinisme. We vinden het nu weer terug op de kaart als het Algerijnse Béchar.

Dezelfde list probeerde Lyautey uit met het Marokkaanse Ras el Aïn. Dat werd al een stuk lastiger want het lag al verder in Marokko. Lyautey organiseerde de verovering vanuit Oran. Na de inname ervan door majoor Henrys bezocht hij "de prachtige plek" en bracht er een week door met nachtelijk paardrijden, wandeltochten en zwemmen. Op diplomatieke wijze gaf hij de plaats de naam Berguent zodat het in Parijs niet opviel dat er weer een stuk van Marokko afgeknabbeld was. Het Franse leger was ondertussen weer 90 km verder opgerukt! De koloniale politicus Etienne was echter te trots op dit wapenfeit om het niet aan de pers te vertellen. Meteen leidde dit tot een groot schandaal. De sultan die het ondertussen ook in de gaten had gekregen, protesteerde bij de Franse regering. De minister van buitenlandse zaken, Delcassé telegrafeerde Lyautey dat hij zich onmiddellijk terug moest trekken. Lyautey antwoordde daarop trots dat hij zijn baan ter beschikking stelde van de regering en dus zijn ontslag zou nemen. De volgende dagen "waren de meest benauwde van zijn leven" schreef hij later. De Franse regering raakte in een moeilijk parket. Uiteindelijk gaf men het bevel dat "voorzover de situatie het toeliet Lyautey zich geleidelijk aan moest terugtrekken." Lyautey vertrok daarop snel naar Parijs, zette zijn koloniale vrienden in voor zijn zaak en stelde een compromis voor. Algerijnse troepen zouden samen met troepen van de sultan de plaats controleren, met aan het hoofd een Franse officier. Uiteindelijk lukte het hem zijn voorstel geaccepteerd te krijgen. Van het contingent troepen dat de sultan zond en dat bestond uit een honderd jongens en verder oude mannen, liepen er binnen een maand veertig naar de Fransen over. De Fransen hadden weer hun doel bereikt.

LYAUTEY SLAAGS MET DE SAHARAWIE-SJEICHS.

De socioloog Ibn Khaldoen had in de veertiende eeuw al de circulatie van macht van woestijndynastiën als uitgangspunt van zijn theorie genomen. Als voorbeeld had hij de Sanhaja uit de West-Sahara beschreven. Aan het eind van de 19e eeuw herhaalde zich de geschiedenis. Opnieuw maakte een groep van de Sahaja zich op om de heersende dynastie af te lossen. In de West-Sahara heerste sjeich Ma le'Aineen, de zoon van een leider van een tak van de Qadirriya soefi-orde. Hij werd als erfgenaam van de baraka, de heilige wondermacht, van zijn vader beschouwd. In 1859 woonde hij in Tindouf en was bekend als een geoefend tovenaar, genezer, exorcist, regenmaker en zeer behendig kameelrijder. In 1887 ging hij in Marrakech bij sultan My Hassan op bezoek. De sultan ontving hem als zijn grote vriend, benoemde hem tot zijn kalief in de West-Sahara en voorzag hem van wapens. Vanaf 1894 bezocht hij ook de nieuwe sultan My Abdelaziz en deed dit zelfs zeven keer. Tarfaya werd hem toevertrouwd en hij kreeg hulp van de sultan om de stad Smara in de West-Sahara te bouwen. Hij begon er in 1898 met planten van palmen en slaan van bronnen. In 1902 werd Smara voltooid als basis voor de sjeich. Djihaad werd uitgeroepen tegen de Fransen en Spanjaarden, die het gebied bedreigden. Wapenaanvoer voor de Saharawies geschiedde via havens met de hulp van Engelsen en Duitsers. Zij waren in die tijd de concurrenten van de Fransen en zagen de Franse ambities met betrekking tot Marokko met lede ogen aan. De Trab El Beidan, het gebied dat later Mauretanië zou heten, werd door hen nog als Marokkaans gebied erkend en verdedigd tegen Franse invallen. Hiermee werden de eerdere pretenties van sultan My Hassan ondersteund. Ma Le'Aineen erkende de beperkte heerschappij (soezereiniteit) van de sultan. Deze laatste vaardigde dahirs, sultanale wetten uit, waarbij hij lokale leiders als zijn caïds aanstelde. De Franse controleur in Frans West Afrika (het latere Mauretanië) rapporteerde echter dat Ma Le'Aineen stammen die door de Fransen onderworpen waren tot rebellie opriep en dat daar maatregelen tegen getroffen moesten worden. De sultan werd onder druk gezet. Sultan Abdelaziz ondertekende tenslotte de akte van Algeciras in 1906 die buitenlandse mogendheden de controle en de douane-rechten van alle Marokkaanse havens in handen gaf. My Aziz gaf zijn caïd in Goulimine opdracht wapentransporten voor Ma Le'Aineen te onderscheppen. Dit toegeven aan de Franse druk hielp de sultan echter niet: In 1907 trokken Franse troepen Casablanca en Oujda binnen. Het verzet tegen sultan My Aziz groeide daarop, de Marokkanen liepen over naar zijn broer, My Hafid. Deze toonde zich in het begin strijdbaar: hij kondigde de djihaad af. Om die reden verkreeg hij de bai'a, de trouwbetuiging van de stammen en kon zo in 1908 Aziz vervangen. Maar ook hij draaide om in zijn politiek en tekende na verloop van een jaar, in 1909, een accoord -de akte van Algeciras- om steun van de Europese mogendheden te krijgen. De sultans hadden Marokko diep in de schulden gewerkt en consortia van banken deelden nu de lakens uit. Zo werd ook de nieuwe sultan My Hafid in 1910 gedwongen een conventie met de Fransen te tekenen waarin hij Ma Le'Aineen en andere vijanden van Frankrijk als agitatoren beloofde te vervolgen. De stammen rebelleerden tegen deze gang van zaken. Daarop nam Ma Le'Aineen het heft in eigen hand: in Tiznit laat hij zich tot `mahdi' uitroepen. Hij beconcurreert daarmee het geestelijk en wereldlijk gezag van de sultan die geen weerstand meer biedt tegen de buitenlandse indringers. Als de Mahdi van Soedan trekt hij in 1910 met 6000 man tegen de hoofdstad Fès op. Bij Tadla In de Midden Atlas worden zijn mannen echter door het Franse leger verslagen. Teleurgesteld trekt hij zich dan terug naar Tiznit waar hij kort daarop sterft op 28 oktober 1910.

Zijn zoon Ahmed El Hiba, bijgenaamd de `blauwe sultan' nam de strijd over als `Imam van de moedjahedien', van de vrijheidsstrijders. Dit gebeurde in Tiznit nadat sultan Hafid het traktaat van Fès waarmee Marokko zijn onafhankelijkheid verloor, na veel aarzelen in april 1912 had getekend. El Hiba verbond aan zijn djihaad een streng islamitisch programma. De leus was `geen caïds meer, geen belastingophalers, geen andere belastingen dan die van de koran'. Hij schafte alle gehate belastingen af die de van het kolonialisme profiterende `grote caïds' als El Glawi hadden ingevoerd om het volk uit te kunnen buiten. Deze machtsusurpators waren door de koloniale autoriteiten gebruikt om hun gezag te vestigen. De beweging van El Hiba werd onder de uitgeperste bevolking van Zuid Marokko snel populair. De mensen staken het huis van hun caïd in brand als hij zich niet aan hun zijde schaarde. De door de regering benoemde caïds werden afgezet en door de traditionele lokale volksvergaderingen, jema'a's, vervangen met mensen die door de stammen zelf gekozen waren. El Hiba ging met een Saharaleger naar Marrakech en trok op 15 augustus 1912 de stad binnen. De sluwe caïd El Glawi zag geen andere mogelijkheid meer dan zijn vijand tegen wil en dank te steunen. Drie dagen eerder had sultan My Hafid afstand gedaan van de troon ten behoeve van zijn broer My Youssef, die echter nog niet benoemd was. Op dit slimme tijdstip, het moment namelijk dat er geen sultan aan de macht was, stelden de oelama en andere autoriteiten met hun bai'a El Hiba aan tot de wettige sultan van Marokko. De Franse consul werd gevangen gezet. Lyautey raakt in paniek en bood El Hiba bij onderhandelingen zelfs Zuid Marokko aan. Maar ondertussen begonnen rijke Marraksjies de strenge Saharawie-sultan maar knap lastig te vinden. El Hiba kondigde namelijk af dat alle ongetrouwde vrouwen van de Maraksjies met zijn soldaten, het leger van `blauwe mannen' uit de Sahara moesten trouwen. Ongetrouwd zijn is niet goed voor moslims zei hij. Niet veel Maraksjies waren daar gelukkig mee. Daarbij joeg hij ook de kooplui tegen zich in het harnas door het officile geld af te schaffen en Saharageld in te voeren. Ondertussen zat Lyautey niet stil. Hij liet zijn generaals slag leveren met de broer van El Hiba, Mrebbi Rebbo die het Saharaleger aanvoerde. Dat leger was echter voor het merendeel gewapend met slechts knuppels en stenen, zodat het tenslotte op zes september bij Ben Guerir in de pan werd gehakt. El Hiba had de soldaten trouwens beloofd dat ze onoverwinnelijk waren: kogels zouden in water veranderen en granaten in watermeloenen. Zo werden ze te overmoedig en liepen pardoes in op de Fransen met hun automatische wapens. Tot mei 1913 bleef El Hiba nog in de Sousse. In dat jaar vernietigden de Fransen de stad Smara en verbrandden er op barbaarse wijze ook de rijke bibliotheek van Ma Le'Aineen. El Hiba trok zich terug naar de Midden Atlas waar nog tot 1934 een guerilla gevoerd werd tegen de Fransen. In oktober 1916 vertrok de vroegere Duitse consul -wiens land met Frankrijk in oorlog was- met een vliegtuig vol wapens uit Duitsland naar Zuid Marokko. Het vliegtuig werd echter onderschept. De Saharawie El Hiba stierf tenslotte in 1919, maar zijn broer Mribbi Rebbo zette de strijd nog voort.

De door Ibn Khaldoen beschreven cyclische vervanging van dynastieën -de Sanhaja uit de Sahara die de Noordelijke kustvlakte keer op keer veroverden- was door het kolonialisme tot staan gebracht. De geschiedenis herhaalde zich ditmaal niet. Maar toch zien we hier weer de paradoxale situatie uit het verleden: twee Saharawie-sjeichs Ma Le'Aineen en El Hiba werpen zich op als sultans van Marokko! Zij treden op als de verdedigers van de niet aan ongelovige indringers onderworpen oemma van de moslimgemeenschap, als emirs. Daarin vergelijkbaar met emir Abdelkrim Khattabi die later -van 1921 tot 1926- met verdrijving van de Spanjaarden in de Rif een republiek stichtte. Hoort Marokko nu bij de Sahara of de Sahara bij Marokko, zou men zich kunnen afvragen? Maar het ging die twee Saharawies ergens anders om. Zij hadden de pretentie heel Marokko onder het gezag van hun strenge en sociaal rechtvaardige islam te brengen, een islam waar zij de wettige uitvoerders van waren. Dit leidde tot de puzzle's waar het Internationale Hof van Justitie te Den Haag, waaraan Marokko het Sahara-vraagstuk voorlegde, later voor kwam te staan. Dit hof interpreteert alles vanuit een moderne contekst die ingevoerd werd met het kolonialisme: effectief uitoefenen van moderne regeermacht en juridisch feitelijk bezit van territorium. Terwijl islamitische soevereiniteit op eenheid van politieke en religieuze autoriteit gebaseerd is met een soms slechts symbolische onderwerping, bai'a aan de sultan, waarbij territoriale grenzen niet vastliggen. Twee tradities van opvattingen over de staat botsen zo met elkaar. Zal het door Marokko aanvaarde moderne beginsel van zelfbeschikking van het volk van de Saharawies nu snel een oplossing bieden uit de impasse?

DEEL 4. SULTANALE LEGITIMITEIT VERSUS DE MODERNE NATIESTAAT.

Vergeleken met Algerije is Marokko er uiteindelijk na alle koloniale manipulaties wat betreft zijn grondgebied bekaaid vanaf gekomen. Het omstreden gebied van Tindouf, waar in 1963 vlak na de Algerijnse onafhankelijkheid een open oorlog over uitbrak en waar nu het Polisario Front zijn basis heeft, was sinds 1912 bestuurlijk bij de Marokkaanse provincie Agadir ingedeeld. Toen de Marokkaanse onafhankelijkheidsstrijd voor de Fransen in 1952 gevaarlijke vormen begon aan te nemen, voegden zij dit gebied bij Frans Algerije. Maar tot eind jaren vijftig was het Marokkaans geld daar nog wettig betaalmiddel. Aan het eind van het Franse bewind over Algerije werd zelfs voorgesteld die gebieden weer aan Marokko toe te voegen op voorwaarde dat Marokko zich onthield van hulp aan de Algerijnse vrijheidsstrijders. Marokko weigerde dat, maar de Franse accoorden met de voorlopige Algerijnse regering gingen nog van die gebiedsoverdracht uit.

Marokko en Mauretanië legden in 1974 -via een VN-resolutie- de vraag naar de rechtmatigheid van hun banden met de Sahara aan het Internationale Hof van Justitie voor. Waarom werden uiteindelijk ook daar de oude banden die Marokko met de Sahara had niet erkend? De kern van de problematiek is dat thans een moderne natiestaat in de plaats gekomen is van het vroegere sultanale rijk. Moderne staten baseren zich op een gecentraliseerd bestuur, een juridisch en militair beheersen van een nauwkeurig omgrensd grondgebied.

BAI'A ALS DAAD VAN ERKENNING VAN HET KALIFAAT.

In Marokko treffen we nog het beeld aan van een vermenging van de moderne natiestaat met oude tradities. Zo wordt bij de Marokkaanse vorst nog het oude ritueel van de bai'a in stand gehouden tot op de dag van vandaag met een uitgebreid indrukwekkend schouwspel bij de aanstelling van o.a. nieuwe ministers, gouverneurs, ambassadeurs. Lokale gemeenschappen, stammen en maatschappelijke groepen verplichten zich door een trouwbetuiging, bai'a steeds opnieuw aan de vorst persoonlijk. De segmenten der gemeenschap betuigen via de persoonlijke band van de leiders hun trouw aan de persoon van de koning die als hoofd van de religieuze gemeenschap ook de staatsmacht uitoefent. Jaarlijks op de dag voor het Troonfeest wordt deze eed van trouw hernieuwd. Momenteel kan men in Marokko drie opvattingen van dit voor het traditionele gezag centrale begrip van bai'a onderscheiden: De nationalistische elite vat het op als een politiek contract, dat de democratische essentie van de islam uitdrukt. Zoals de in 1965 vermoorde socialist Mehdi Ben Barka het uitdrukte: `onze oproepen tot democratie zijn geen simpele ontleningen aan het buitenland, zij zijn de uitdrukking van onze diepste nationale roeping. De sultan bezat zijn macht op grond van delegatie van macht door de gemeenschap; zijn inhuldiging was een soort contract.' Daarnaast wordt door de Marokkaanse `fundamentalisten', die daardoor in de klassieke traditie blijken te staan, de eed van trouw als een wederkerig contract gezien te vergelijken met een huwelijkscontract. Ook de historicus Laroui, thans opvoeder van de Marokkaanse troonopvolger, benadrukt dit aspect. Het is voorwaardelijk en opzegbaar en ondergeschikt aan 's mensen gehoorzaamheid aan God. In de huidige politieke praktijk is de bai'a tenslotte een plechtige daad van erkenning van legitimiteit van de vorst en zij is tot een puur onderwerpingsritueel geworden. Typerend is dat de Nasserist Khaddafi zich altijd ergerde aan het handkusritueel van Marokkaanse militaire collega's als Oufkir. Er bestaat een voor moderne nationalisten verbluffende consensus rond deze, voor hun begrip voorbije machtslegitimatie: dat past toch niet meer in een moderne natiestaat!

Wat is de rol van de oorspronkelijke islam hierbij? Gaf deze zelf aanwijzingen en voorschriften voor politiek en wel in het bijzonder voor staatspolitiek? In de koran zelf staan geen concrete politieke bestuursvormen omschreven, wel is er een `constitutie' overgeleverd. Politieke vragen werden echter opgelost door de opvolgers van Mohammed, de eerste kaliefen, vanuit de praktijk van het nieuwe wereldrijk. Na de eerste snelle verspreiding van de islam werden politieke wereldrijken gesticht onder de kaliefen van Damascus en Bagdad. Maar de islam als wereldwijde gemeenschap van gelovigen, oemma, verdroeg principieel maar moeizaam institutionalisering in staten en partijen met een scheiding van wereldlijke en godsdienstige macht. Islam als religie was dien wa daula, godsdienst en staatspolitiek ineen. De kalief was de emir al-moe'minien, de aanvoerder der gelovigen van het Huis, het gebied van de islam, met de politieke implicatie toepassing van de islamitische wet in dat gebied te garanderen, het dus te besturen. Dit gebied stond in tegenstelling tot het `Huis van de oorlog', de niet-islamitische wereld. Tot op de dag van vandaag speelt de Marokkaanse koning nog die dubbelrol, zoals we zagen, enigszins te vergelijken met de Engelse koningin, die naast politiek vorst tevens hoofd van de Anglicaanse staatskerk is met leden overal ter wereld. De Ottomaanse kalief nam als leider van het islamitisch wereldrijk tot in het begin van de eeuw zo'n, voor onze begrippen `dubbele' positie in. Groot was de verwarring dan ook toen Kemal Atatürk het kalifaat in 1924 afschafte en het bestaan van een moderne Turkse natiestaat met aan het Westen ontleende constitutie daarmee bevestigde. Dit conflict tussen de twee hier beschreven staatsopvattingen ligt volgens mij ten grondslag aan het conflict rond de claims die Marokko op de Sahara legt. Vele structuren van de vroegere prekoloniale staatsvorm leven nog in de moderne natiestaat voort. Het Marokkaanse kalifaat ontkent zijn oude universele strekking niet. Evenals de vroegere missionaire idee van een internationale communistische revolutie, die in de Sovjet Unie leefde, heeft het in principe een bredere gelding dan de gefragmenteerde natiestaat. Ook Lybië heeft -als bekend- een met de moderne natiestaat op gespannen voet staande staatsideologie van Arabische eenheid. In hoeverre kan men aanspraken van dergelijke staatsideologiën vandaag nog internationaal doen gelden?(cf. Haleber 1989)

Eeuwen geleden is de Maghreb van Tunesië tot Senegal, inclusief half Spanje, onder bewind van Marokkaanse sultans, zoals we zagen, een eenheid geweest. In die tijden werd het staatsburgerschap nog niet verstaan in termen van onze moderne nationale staat met een gecentraliseerde bureaucratie. Het behoren tot de `staat' hield in de periferie `slechts' een politiek-religieuze loyaliteit in jegens de `Emir der gelovigen'[6], wiens feitelijke macht over de stammenfederaties van vorst tot vorst verschilde. Deze emir had tot taak toe te zien op het naleven van de praktijk van de islam en moest het Noord Afrikaanse grondgebied van de islamitische gemeenschap vrijwaren van buitenlandse indringers. De autoriteit van deze emir reikte ver. Marokko was feitelijk de enige `staat' met politiek-religieus gezag in de regio. Zo zocht in de 19e eeuw de in Algerije opererende guerilla-strijder Abdelkader militaire steun tegen de binnenvallende Fransen bij de Marokkaanse sultan. Hij vroeg tevens diens schriftgeleerden in de politieke en religieuze hoofdstad, Fès, om bindende voorschriften voor zijn heilige vrijheidsstrijd. Het Franse kolonialisme schiep in de regio echter nieuwe gecentraliseerde staten vanuit Europees nationaal besef, dat het in deze eeuw opkomend Arabisch nationalisme ging beïnvloeden. Aan de verdelingen en grenzen lag vaak een puur opportunistische koloniale politiek ten grondslag. Zo werden in de periode voor 1912 toen Marokko nog onafhankelijk was -zoals we zagen-, grote gebieden ervan door militaire veroveringen aan Frans Algerije toegevoegd. Nadat de Fransen de macht hadden veroverd in Marokko was dit natuurlijk niet meer nodig. De grensverdeling bleef echter in het nadeel van Marokko beslist hetgeen de huidige conflicten verklaard.

DE UITSPRAAK VAN HET INTERNATIONALE HOF VAN JUSTITIE.

De door ons beschreven complexiteit komt op treffende wijze tot uitdrukking in de onmogelijke taak waar het Hof voor kwam te staan. Het is een schoolvoorbeeld voor de tegenspraken waar men in raakt indien men vanuit een moderne situatie vroegere politieke constellaties in een niet-europese cultuur moet gaan beoordelen. Vandaar dat ik er dieper op inga. Het Hof moest antwoord geven op de volgende twee vragen[7]: 1. Was de Westelijke Sahara op het moment van de kolonisatie door Spanje een `gebied zonder meester', een terra nullius? En indien het antwoord op deze vraag negatief zou zijn: 2. wat waren de juridische banden van dit gebied met het koninkrijk Marokko en met de Mauretaanse regio?

Allereerst treedt er een verschuiving van betekenis op bij het gebruik van de term terra nullius door het Hof (waarvan ze overigens zelf geen definitie geeft). De term was aan het eind van de 19e eeuw gebruikt om de Europese kolonisatie te rechtvaardigen en speelde als zodanig een rol op de beruchte koloniale conferentie van Berlijn van 1884. De term sloeg toen op elk gebied dat niet onder de soevereiniteit van een staat viel; het betrof in feite ieder gebied dat niet onder de soevereiniteit van één van de grote Europese mogendheden viel. Staat definieerde men daarbij in de Europese betekenis van het woord. Deze koloniale zienswijze zou men nu juist op de West-Sahara van 1884 van toepassing hebben kunnen verklaren, want dat gebied viel toen onder de soevereiniteit van geen enkele mogendheid. Het Hof bewandelde deze weg echter niet en gaf een geheel andere interpretatie aan het begrip: "De gebieden werden door stammen en volkeren bewoond met een sociale en politieke organisatie en moeten daarom niet als terra nullius beschouwd worden." Om soevereiniteit over die gebieden te verkrijgen moesten er volgens het Hof met de plaatselijke leiders verdragen afgesloten worden. Door dit te doen heeft Spanje -volgens het Hof- bewezen het gebied niet als een terra nullius te beschouwen. Het nam in 1884 het gebied `onder zijn bescherming' op basis van verdragen met leiders van lokale stammen. Zo kon het Hof de vraag ontkennen of de West-Sahara `niemandsland' was.

Het Hof kon zich nu zetten aan de tweede vraag omtrent de juridische banden. Het Hof nam daarbij de vrijheid ook de etnische, religieuze culturele en persoonlijke banden te bezien die er bestonden (iets wat op zich al door juristen bekritiseerd werd). Hier botste het Europese rechtssysteem met zijn ideeën omtrent juridische staatssouvereiniteit met dat van het islamitisch rechtssysteem dat geen enkele notie van terra nullius heeft. Om die tegenstelling wat te verzachten ging men niet alleen de juridische maar ook de personele banden na. Daarbij ging het Hof er echter niet toe over de islamitisch religieuze band (de persoonlijke bai'a-erkenning) gelijk te stellen aan een juridische band van soevereiniteit. Dit leidde tot een minimaliseren van de banden die religie schept in een islamitische contekst waar religie en politiek zoals we zagen sterk met elkaar verbonden zijn. Ook ging het Hof nog uit van een door de koloniale geschiedenis sterk gekleurde en nog steeds in discussie zijnde tegenstelling van bled siba met bled machzen: het slechts nominaal, slechts via religieuze banden onder de sultan vallende gebied van dissidente stammen, naast het direct onder het gezag van de sultan ressorterende gebied. Om koloniaal ingrijpen en de centralistisch-fascistische structuren van de koloniale staat te rechtvaardigen schilderde men het traditionele Marokko af als `chaos en anarchie'. Dit droeg natuurlijk bij aan een ontkennen van bestuurlijke banden van het sultanale centrum van Marokko met zijn periferie. Marokko pleitte voor het bestaan van de banden door bewijzen aan te dragen die erkenning aantoonden van de sultan door Sahara-caïds en hun stammen. Verder pleitten sultanale wetten, de aanstelling van ambtenaren, het innen van belasting, het centraal nemen van militaire beslissingen naast de rol van sjeich Ma Le`Aineen voor de soevereiniteit van Marokko. Tegenover Spanje en Mauretanië was het een strijdpunt of Ma Le`Aineen op voet van gelijkheid opereerde met de sultan en geheel onafhankelijk van hem was. Het Hof concludeerde dat de bewijzen die Marokko aandroeg niet voldoende waren, ook konden de activiteiten van Ma Le`Aineen niet als uiting van de autoriteit van de sultan over de West-Sahara gewaardeerd worden. De caïds van de Tekna-stammen konden weliswaar de sultan erkennen, de vraag bleef open of zwervende nomadenstammen, die tot op bepaalde hoogte die caïds erkenden, dat ook deden ten aanzien van de sultan aangezien het hier tenslotte bled siba betrof. Hier speelt mijns inziens een rol het gezichtspunt dat men inneemt t.a.v. gesedentariseerde bewoners van een land en zwervende nomaden die van meet af aan het begrip grens niet (er)kennen, laat staan dat van een territoriaal zich legitimerende staat. Innerlijk tegenstrijdig, indien men de van elkaar verschillende rechtssystemen serieus neemt, concludeert het Hof tenslotte dat er wel een band van erkenning van verschillende stammen bestond t.o.v. het sultanale Marokko, maar toch `geen enkele band van territoriale soevereiniteit'. Voor wat betreft de door Spanje, Engeland en Duitsland aangegane verdragen met Marokko (waarbij de Europese en Arabische teksten overigens ingrijpend bleken te verschillen) verwierp het Hof ook de daaraan door Marokko ontleende claims. Het zou in die verdragen namelijk niet gaan `om de erkenning van een bestaande soevereiniteit over een gebied of de ontkenning daarvan', maar `om het erkennen of reserveren voor één of beide van de partijen van invloedszones' en daarbij vooral van de koloniale grootmachten onderling. Deze inschatting van verdragen als afbakening van invloedszones door de koloniale grootmachten onderling droeg natuurlijk ook niet tot erkenning van claims vanuit islamitische opvattingen bij. Verschillende bij de uitspraak gevoegde individuele meningen van de rechters tonen het voorbehoud aan dat deze maken. Zo stelden de rechters Ammoun, Forster en Boni dat de bai'a-erkenning wel degelijk territoriale soevereiniteit inhield, met de woorden van Ammoun, "een politiek en constitutioneel karakter had: de erkenning van de sultan stond gelijk met erkenning van de staat en er waren politieke banden en banden van soevereiniteit". Daarbij werd ook de notie van bai'a niet door het Hof gedefinieerd, noch naar z'n inhoud noch naar zijn juridische waarde.

Het Hof kwam tenslotte na veel wikken en wegen in 1975 tot de volgende uitspraak: "Het materiaal dat aan het Hof getoond is, toont het bestaan aan, ten tijde van de Spaanse kolonisatie, van wettelijke banden van erkenning tussen de sultan van Marokko en sommige van de in het territorium van de West-Sahara levende stammen. Zij tonen evenzo het bestaan aan van rechten, inclusief rechten t.a.v. het grondgebied, die wettelijke banden inhouden, tussen het gebied dat nu Mauretanië heet en het territorium van de West-Sahara. Aan de andere kant is de conclusie van het Hof dat het aangedragen materiaal en de informatie, geen enkele band van territoriale soevereiniteit aantoont tussen het territorium van de West-Sahara en het toenmalige Koninkrijk van Marokko of t.a.v. het gebied dat nu Mauretanië heet."

Het is duidelijk dat het hier om twee soorten banden van erkenning gaat. Het Hof stelde zich weliswaar op vanuit twee verschillende juridische systemen, maar de oude religieus-politieke banden hebben voor het Hof dat zich op het moderne internationale staatsrecht moet baseren geen gelding meer indien daar territoriale aanspraken aan ontleend worden. De meerderheid van de tientallen commentatoren onderstreept dan ook de dubbelzinnigheid van het advies. Vele begrippen als terra nullius, juridische banden, `Mauretaans geheel', en bai'a-erkenning zijn niet voldoende omschreven. Achter de uitspraak van het Hof gaat zo het conflict schuil tussen gesedentariseerde bewoners van nationale staten en die van nomaden, naast dat van islamitisch en modern Europees recht. Belangrijk punt is ook dat internationale organisaties als de Organisatie van Afrikaanse Eenheid zich op het standpunt stellen van wederzijdse erkenning van de door de koloniale grootmachten gecreëerde, bij de onafhankelijkheid feitelijk aanwezige grenzen[9].

DEEL 5. ACTUELE POLITIEKE TEGENSTELLINGEN BIJ HET WEST-SAHARACONFLICT.

Naast de meer historisch bepaalde factoren van staatsvorming en koloniale manipulatie speelt ook de actuele politieke situatie in de regio een rol. Het samengaan van al die factoren maakt mijns inziens het conflict zo gecompliceerd. Het is daardoor een relevant voorbeeld van de complexiteit van veel conflicten in de Derde Wereld. Nieuwe principiële politieke tegenstellingen bepalen de regio: met de moderne onafhankelijkheidsstrijd is de behoefte aan nieuwe democratisch-maatschappelijke verhoudingen doorgebroken, waarin voor een autoritaire monarchie op basis van bijkans goddelijke prerogatieven, droit divin, geen plaats meer is. Die behoefte manifesteert zich zowel vanuit seculier nationalistische idealen als vanuit de fundamentalistisch-islamitische ideologie zoals die zich in de Maghreb manifesteert. Conflicten neigden er lange tijd toe zich te polariseren rond het verschil van een progressief socialistisch regime met Oostblok-steun, tegenover een conservatief-liberaal regime ondersteund door het Westen. Algerije speelt daarbij nog de rol van de kampioen van Afrikaanse nationale onafhankelijkheidsbewegingen zodat het van nature het streven van het Polisario moest steunen. Voor het Nasseristisch nationalistische Lybië van Gaddafi gold dit evenzo. Het conflict neemt zo het karakter aan van een confrontatie van verschillende nationalismes.

Het belang van actuele politieke tegenstellingen blijkt uit conflicten tijdens de onafhankelijkheidstrijd. Voorafgaand aan de oprichting door sultan Mohammed V van de Koninklijke Strijdkrachten van Marokko bij de onafhankelijkheid in 1956 vocht een Nationaal Bevrijdingsleger tegen Frans en Spaans kolonialisme. Zo vochten in 1956 de Saharaanse stammen zij aan zij met Algerijnen en Marokkanen in dit Bevrijdingsleger voor een vrij Marokko met als ideaal een grote Maghreb. Voor velen paste de sultanale monarchie niet meer in het nieuwe ideaal en zij koesterden een republikeins ideaal. De officiële stedelijke en monarchistische onafhankelijkheidspartij, de Istiqlal, waar Mohammed V zich aan verbanden had, bezat dan ook geen controle over dat Bevrijdingsleger. Dit gaf de Fransen in 1958 de gelegenheid de Marokkaanse koning aan hun kant te krijgen om gezamenlijk met de Spanjaarden het Bevrijdingsleger in de West-Sahara te vernietigen en de woestijnstad Smara te plunderen. Als beloning kreeg Marokko van Spanje een strook grond toegewezen van de Sahara, de tegenwoordige provincie Tarfaya. Het bevrijdingsleger was toen al bezig ook het gebied van het later door de Fransen gestichte Mauretanië te bevrijden, maar de Marokkaanse koning had inmiddels het hem loyale leger, de `Koninklijke Strijdkrachten' opgericht, waarin het Bevrijdingsleger moest opgaan. Toch moest de monarchie nog in het noorden van Marokko, een bloedige strijd voeren tegen de nazaten van het in wezen antimonarchistische Bevrijdingsleger. Dit had buiten de stedelijke koningsgezinde Onafhankelijkheidspartij om de strijd voor een vrij Marokko geleverd. Deze binnenlandse afrekening in de Rif, onder leiding van de latere koning Hassan II kostte meer dan 2000 doden. Niet alleen de royalistische Onafhankelijkheidspartij van Allal al Fassi voerde lang het ideaal in het vaandel van een Groot Marokko, dat reikte van Senegal tot diep in Algerije. Ook oudleden van het Bevrijdingsleger, vaak rabiate tegenstanders van de Marokkaanse monarchie, als de bij verstek ter dood veroordeelde Moumen Diouri, ontkenden de Marokkaanse aanspraken niet. Eind zestiger jaren organiseerde Diouri in Casablanca een stadsguerilla samen met de toen in een vuurgevecht om het leven gekomen Sjeich El Arab. Zijn onlangs in Frankrijk verschenen boek maakt zijn positie duidelijk[10]. Deze achtergronden worden nogal eens over het hoofd gezien, vooral in de Nederlandse media. Daar krijgt Hassan II meestal het volle pond van het Marokkaanse expansionisme in de schoenen geschoven. In feite voerde de Marokkaanse monarchie een vaak `matigend' beleid. Zo gematigd dat toen koning Hassan in 1980 in Nairobi bereid bleek voor het forum van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) het conflict door overleg en referendum te willen regelen, de Marokkaanse politieke partijen fel protesteerden, o.a. met een communiqué van de Sociaal-Democraten dat `de macht bereid was zich erbij neer te leggen, de Saharaanse provincies af te staan'. Vijf leden van de leiding van die partij werden terstond gearresteerd en o.a. de voorzitter Bouabid werd veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Alle politieke partijen steunen zo de Saharaanse optie van Marokko en kijken de koning daarbij nauwgezet op de vingers. Ook in 1988 vond het V.N.-overleg te Genève in het diepste geheim plaats. De berichtgeving erover in Marokko is dan uiterst summier wegens het delicate karakter ervan i.v.m. de effecten op de bevolking en de politieke partijen. Natuurlijk heeft de monarchie van deze situatie geprofiteerd en kon de keuze `voor of tegen' de nationale integriteit gelijkstellen met `voor of tegen' de monarchie. Zij kreeg daardoor de vrije hand eventuele antimonarchistische coalities bij voorbaat de kop in te drukken, zoals de marxistische groep `Ilal Amam', (`Voorwaarts'), gruwelijk heeft moeten ervaren. Deze groep waarvan de leden, o.a. de zwaar gemartelde Abraham Serfaty nog steeds gevangen gehouden worden, zag bij haar verzet tegen de monarchie namelijk het Polisario Front als natuurlijke bondgenoot. Aan de andere kant worden socialisten en communisten door hun nationalisme gedwongen de, in de grondwet als 'heilig en onaantastbaar' uitgeroepen monarchie kritiekloos te accepteren. Het samengaan in een Grote Maghreb werd zo ook voor hen primair geblokkeerd door de Algerijnse houding t.a.v. de West-Sahara, hoezeer ze anderzijds ook toenadering tot het socialistische Algerije voorstonden.

PARTIJDIGE STELLINGNAMES.

In het licht van deze moderne nationalistische tegenstellingen vinden partijdige politieke keuzes plaats. Ook de bekende Saharadeskundige Tony Hodges ontkomt hier niet aan en meet vaak met twee maten in zijn beoordeling van de geschiedenis. De verschillende manipulaties tussen Frankrijk en Spanje rond de eeuwwisseling betreffende de grens van Tarfaja worden voor wat betreft de West-Sahara als `koloniaal' gebrandmerkt, maar voor wat betreft Marokko vergeet hij dit koloniale aspect en geldt het niet als argument. Zo zegt Hodges in zijn boek (p. 41) op ironische wijze (tussen aanhalingstekens) dat de Saharawies aan de Spanjaarden bij contract "gebied afstaan". Als Marokko een contract ondertekent waarbij het gebied verliest, ontbreekt bij Hodges echter alle ironie en is het `eigen schuld dikke bult'. Zo ten aanzien van de vroegere Marokkaanse woestijnoases Toeat. Ook grijpt Hodges terug op de beruchte koloniale these van een Marokko als `chaos en anarchie': "Tot de twintigste eeuw was Marokko geen verenigde natiestaat. Het was veeleer een mozaïek van stammen, waarvan velen vaak niet meer dan nominaal geregeerd werden door de regering van de sultan, de machzen." Het Franse bewind `herstelde' om deze reden in 1912 rust en orde door deze chaos een protectoraat op te leggen. Hodges stelt dat regio's als de oases van Toeat en delen van de Sahara soms onder bestuur van gouverneurs en garnizoenen van de sultan stonden, dan weer waren de sultans te zwak "om directe controle uit te oefenen over die oase-regio's, die dan ook delen van de bled-es-siba (het zogenaamde `land in opstand', RH) worden evenals de Atlas en het Rifgebergte."(p.26) Door centrumland van Marokko op één lijn te stellen met gebieden als de West-Sahara wordt Hodges these wel erg doorzichtig. Ook Noord en Centraal Marokko maken zo -even toevallig- dus eventueel wel of niet, deel uit van Marokko. Het doorzichtige koloniale argument keert zich tegen Hodges: vanuit diezelfde soort toevalligheid dat Tanger, Hoceima, Ouarzazate of Khenifra deel uitmaken van Marokko zou dan ook de West-Sahara bij het Marokkaans territorium gerekend moeten worden. Door te stellen dat er eerst geen sprake was van een staat in de moderne zin des woords kan het goed recht van een moderne territoriumopdeling uitpakken al naar gelang de persoonlijke sympathie ligt voor een regime of bevrijdingsbeweging. Ook de recensent John Damis in de `Maghreb Review' (10,1, 1985) vallen de `problems of bias and selectivity' op. Het waarderen van degenen die zich aansluiten bij het Polisario als `dappere nationalisten' tegenover degenen die opteren voor Marokko of Mauretanië als `deserteurs' is voor hem zo'n voorbeeld van partijdigheid. Ook wordt bij het politieke succes van Polisario de machtige rol van het lobbyen van de Algerijnen vergeten. Vanzelfsprekend vindt men dit soort vertekening terug bij veel literatuur die motivatie wil mobiliseren om de strijd van het Polisario te ondersteunen. Onze historische uitweidingen maakten de lezer hopelijk alert op deze `bias'.

DEEL 6. VERLOOP VAN HET CONFLICT EN KANSEN VOOR EEN OPLOSSING.

In 1965 drong de V.N. er bij Spanje aan op dekolonisatie door Spanje van de in Marokko liggende enclave Ifni en de Spaanse Sahara. Een jaar daarna verzoekt de VN zelfs aan Spanje om zelfbeschikking van de Saharawies toe te staan. Spanje neemt dan onder Franco tegenmaatregelen en zet een Spaansgezinde volksvergadering op, de jema'a, om in de Sahara te kunnen blijven. Mede in verband met verhoopte steun voor zijn aanspraken op de Sahara erkent Marokko tenslotte in 1970 Mauretanië, een land dat het eerst als eigen grondgebied zag vanuit de optie van `Groot-Marokko'. In october 1974 maken beide landen geheime afspraken voor de verdeling van de Sahara.

OMSLAG IN ALGERIJNSE POLITIEK.

Het conflict over de West-Sahara wordt gedomineerd door de verhouding en de grensproblemen van Marokko met Algerije. Algerije stemde in juli 1961 bij monde van Ferhat Abbas toe in het reëel nemen van Marokkaanse aanspraken op Algerijnse grensgebieden. Twee jaar later toen Algerije op zijn beloften bleek terug te komen brak er een open oorlog uit tussen beide landen. Midden jaren zestig steunde Algerije de Mauretaanse aanspraken op de West-Sahara en kon zo een vuist tegen Marokko maken. Marokko zette zich echter in voor een toenadering tussen de drie landen hetgeen uitliep op een accoord dat voor de OAE in Rabat op 15 juni 1972 getekend werd. Daar liet Marokko zijn territoriale aanspraken t.a.v. Algerije vallen in ruil voor economische voordelen: o.a. de aanleg van een gaspijpleiding die Marokko van Algerijns aardgas zou moeten voorzien. Boumedienne bevestigde toen -op weliswaar dubbelzinnig wijze- : "zijn totale solidariteit in de strijd van Marokko die zou leiden tot het herstel van zijn soevereiniteit over de gebieden die nog onder koloniale heerschappij waren", daarbij voor de Sahara naar oude accoorden verwijzend. Ook de onderhandelingen van de Algerijnse minister van buitenlandse zaken Bouteflika gingen in juli 1975 nog uit van een opdelen van de Sahara tussen Marokko en Mauretanië in ruil tegen een ratificatie van het accoord van 1972, waarin Marokko van zijn aanspraken op de omstreden grensgebieden in Algerije afzag. Aan deze dubbelzinnige Algerijnse politiek, die pas in de loop van 1975 het in mei 1973 opgerichte Polisario daadwerkelijk begon te steunen, komt daarna een eind. Na de overdracht door Spanje van de Sahara aan Marokko en Mauretanië en na de Groene Mars sluit Algerije in december 1975 een accoord met Lybië en zet in Tindouf kampen op voor het door de Marokkanen verdreven Polisario. Weliswaar accepteert de Marokkaanse koning om het gesprek met Algerije uit het slop te halen op de OAE-conferentie in Nairobi in 1981 het principe van zelfbeschikking, zich daarbij de nodige repercussies in eigen land op de hals halend -zoals we zagen-, maar pas in 1983 vindt er een eerste ontmoeting plaats tussen Hassan en Chadli, de opvolger van de in 1978 overleden Algerijnse president Boumedienne.

1975: HET CONFLICT BARST LOS.

In 1975 breekt het conflict in alle hevigheid uit omdat Spanje zijn koloniaal beheer over de West-Sahara gaat beëindigen. Op dezelfde dag van de uitspraak van het Internationale Hof van Justitie houdt koning Hassan een televisietoespraak, waarin hij oproept tot de beroemde volksbeweging van de `Groene Mars'. Hassan verbindt zijn politieke lot openlijk aan deze volksbeweging, profiterend van de nationale consensus dat de West-Sahara ondeelbaar met Marokko verbonden is. Nadat Marokkaanse troepen eerst de grens al zijn overgetrokken en slag leveren met het Polisariofront, volgen op 6 november de honderdduizenden ongewapende Marokkanen. Op 9 november deelt koning Hassan mee dat de Groene Mars zijn doel heeft bereikt en hij roept de 350.000 deelnemers aan de mars op terug te keren. Op 14 november 1975 tekenen Spanje, Marokko en Mauretanië in Madrid een accoord waar de Sahara verdeeld wordt. Eind november bezetten Marokkaanse militairen de stad Smara, maar krijgen te maken met heftig verzet van door het Polisario-Front georganiseerde Saharawies. Het al in 1973 opgerichte Polisario-Front roept op 26 februari 1976 de Democratische Arabische Republiek Sahara uit, die snel door veel Afrikaanse landen erkend wordt. Vooral in de eerste jaren maakte het Polisario-front het de Marokkanen flink lastig. Op grond van een traditionele guerilla-tactiek voerden zij `razzia's' uit die vooral de noordelijke, industrieel nuttige driehoek van de steden El Ayoen, Smara en Bou Craa bedreigden. Korte verwoestende aanvallen legden o.m. de fosfaatindustrie in dat gebied lam. Het leger moest in de periode tussen 1974 en 1982 worden uitgebreid van 56.000 tot 141.000 man. Daarbij groeiden de uitgaven van Marokko voor de defensie tot 40% van het nationale inkomen. Marokko besloot onder druk van de aanvallen van het Polisario tot het bouwen van beschermende `muren' van drie tot vijf meter hoog in de vorm van aarden wallen, prikkeldraadversperringen, etc. Fransen, maar vooral Amerikanen leverden de elektronische beveiligingsapparatuur van deze wallen. Bij de aanleg van dergelijke elektronisch beveiligde grenzen ervaren Israëlische militairen gaven op verzoek van de Marokkanen hun adviezen. Volgens Egyptische kranten namen in 1986 Israëlische officieren deel aan militaire oefeningen van Marokkaanse en Amerikaanse troepen op Marokkaans grondgebied (Zoubir, 1987 p.421). Een in 1981 begonnen 2000 kilometer lange muur werd zo in 1985 voltooid. Zes muren werden zo aangelegd. Het Polisario dat in 1979 nog vijf zesde van het grondgebied kon beheersen werd zo teruggedrongen en raakte militair in het defensief. De huidige aanvallen vinden meest aan de rand van deze muren plaats. Toen het Polisario ook aanvallen op objecten in Zuid Marokko uitvoerde kondigde de koning het `recht op achtervolging' af op Algerijns grondgebied. Algerije begreep blijkbaar het explosieve karakter van de situatie en toomde het Polisario in.

POLITIEKE WINST VAN POLISARIO VIA OAE, VN en EU.

In 1982 blijkt er zich onder invloed van Algerije een meerderheid van staten gevormd te hebben binnen de OAE die zich uitspreken voor toelating van de Sahara Republiek. Marokko weet dit noch twee jaar op te houden maar tenslotte treedt zij op 22 februari 1982 toe. Marokko breekt na die diplomatieke nederlaag terstond met de OAE. Vanaf 1979 bestaat er ook in de VN een meerderheid die de door Algerije ingediende resoluties goedkeurt. Daartoe behoren 71 staten die de Republiek formeel erkennen. Vaak zijn dit ministaatjes en eilandstaatjes in Afrika, Latijns Amerika en Oceanië. In Europa gaan slechts Yoegoslavië en Albanië tot erkenning over. De Republiek heeft zo momenteel een dertiental ambassades en een twaalftal vertegenwoordigingen. Aan de VN-resoluties geven echter ook Griekenland, Spanje, Zweden en Finland hun steun, naast de tien landen van het `Oostblok'. Vanuit de VN neemt de druk tot het houden van een referendum in die periode toe. Naast dit succes volgen er ook teleurstellingen voor het Polisario. In het door Marokko met de EEG in februari 1988 gesloten visserijverdrag wordt er over de kustwateren van de Sahara gesproken als over "water onder Marokkaanse jurisdictie". Op 15 maart 1989 stelde het Europese Parlement zich echter met 208 stemmen voor, 46 tegen en 26 onthoudingen zich achter het internationale vredesplan en het recht op zelfbeschikking en onafhankelijkheid (document EP 130.923).

ONTWIKKELINGEN IN DE WEST-SAHARA ZELF.

Veel geld werd ondertussen door Marokko in het gebied, vooral in de stad El Ayoen geïnvesteerd. Fosfaat, visvangst en toerisme vormen momenteel de bronnen van inkomsten van het gebied. Grote aantallen Marokkanen werden in het gebied gevestigd en Saharawies werden naar Zuid Marokko overgebracht (een aantal was daar al eerder heengevlucht). Scholen en gezondheidscentra werden opgezet. Landbouw wordt mogelijk gemaakt door het exploiteren van grote waterreservoirs die zich onder de Sahara bevinden. Volgens officiële cijfers werd er van 1975-85 al 1¼ miljard gulden besteed, maar leningen bij de Marokkaanse bevolking wijzen hogere cijfers uit. Gezien het zonnige klimaat wil men het gebied thans openleggen voor de toeristenindustrie met name in de winter. In 1984 bezochten reeds een 5130 toeristen het gebied. Alleen al de Franse Club Méditerranée heeft er drie grote hotels staan. Leden van het Amherst Instituut uit de V.S. bezochten het gebied begin 1989 en deden daar verslag van. Naast een modern opgetrokken hoofdstraat en enkele tientallen straten met vaak halfafgebouwde flats is El Ayoen omgeven door krottenwijken. De transportbanden voor de fosfaat naar Boe Craa bleken onder zandduinen te liggen. Water moet veelal gekocht worden uit tankwagens. De levensomstandigheden van de in het gebied gelegerde Marokkaanse militairen zou even slecht zijn als dat van de bevolking zelf. Voor de VN-mensenrechtencommissie werden in maart 1989 getallen genoemd van een 4000 verdwenen personen gedurende de afgelopen dertien jaar. Ook Amnesty vestigt in zijn jaarverslagen de aandacht op vele onregelmatigheden van Marokkaanse kant. Overigens staat ook het milieu in de Sahara aan bedreiging bloot. In mei 1989 werd het plan bekend dat er door het Brits consortium MIDCO een vuilverwerkingsinstallatie gebouwd zou worden in de omgeving van Tarfaya bij de grens van de West-Sahara. Er zou 2000 ton afval per dag verwerkt worden vanuit Europa en Noord-Amerika. Het ondergrondse waterreservoir in de Sahara zou hierdoor ernstig besmet raken. Een snelle afwijzing van het project door Marokkaanse autoriteiten volgde toen het geheime plan uitlekte.

DE ROL VAN AMERIKA EN RUSLAND.

Politiek nemen beide grootmachten een neutrale houding in en steunen het vredesplan van de VN. Hoewel Marokko een zeer westerse politiek voert onderhoudt het zeer goede relaties met de landen van het Oostblok. Sinds 1978 is de Sowjet-Unie Marokko's belangrijkste handelspartner wegens het afsluiten van enorme fosfaatcontracten. In ruil voor het 30-jarige fosfaatcontract van 1978 leveren de Sowjets als tweede importeur olie aan Marokko, naast chemicaliën en timmerhout. Ook werd, ondanks Algerijns protest, een visserijcontract gesloten waarbij de soevereiniteit van Marokko over de kustwateren van de Sahara werd erkend. Sowjetschepen worden dan ook door het Polisario onder vuur genomen. Marokko's interventies in Zaïre in 1977 en 1978 op verzoek van Frankrijk en de VS ondervonden om deze redenen slechts zwak protest van de kant van de Sovjet Unie. Een erkenning van het Polisario zou Marokko in de armen van Amerika drijven en een breuk betekenen met de Marokkaans communistische partij die een fervent verdediger is van het Marokkaanse standpunt t.a.v. de Sahara. Amerika heeft met Marokko een vriendschapsverdrag lopen sinds 1787, het langst bestaande vriendschapsverdrag van de VS. Sinds 1950 ontving het meer VS-hulp dan enig ander Arabisch land behalve Egypte en meer dan enig ander Afrikaans land behalve dan het Ethiopië van Haile Selassie. Bevreesd waren de VS voor het Polisario als een nieuw Angola. De militaire hulp steeg van $ 4.1 miljoen in 1974 naar $ 99.8 miljoen in 1978. In mei 1979 keurde het State Department een voorstel van Northrop Page Communications goed om voor $ 200 miljoen een elektronisch opsporingssysteem te leveren voor het vinden van Polisario-strijders. Ook anti-guerilla hulp werd gegeven. De wapentransporten werden gerechtvaardigd met als reden dat ze defensief waren aangezien Polisario aanvallen deed op Marokko zelf. Onder Reagan werd de hulp sterk verhoogd. In 1982 steunden ongeveer 130 militaire adviseurs de Marokkaanse troepen in de Sahara, soms zelfs gekleed in VS-uniform. Ook voorziet de VS in het trainen van Marokkaans personeel en geeft ze veiligheidsinformatie via haar ruimtesatellieten door. In ruil verleent Marokko faciliteiten voor de zogenaamde `Rapid Deployment Force' waarmee de VS mondiaal brandhaarden denkt te kunnen bestrijden. Om de pro-VS president Moboetoe aan de macht te houden hielp Marokko in Zaïre te interveniëren. De door Zuid Afrika gesteunde UNITA-guerilla's zouden in Marokko getraind worden, naast invasie-eenheden die Benin in 1979 binnenvielen. Voorts zou Marokko een centrum voor CIA-activiteit in Afrika zijn (Zunes 1987: 242). Kortom Marokko is een centraal steunpunt voor de VS in Afrika en de kortstondige flirt met Gaddafi, VS-erfvijand nummer 1 werd dan ook met afgrijzen bekeken.

LAATSTE ONTWIKKELINGEN: OPLOSSING IN ZICHT?

Via een verrassende zet op het schaakbord van de Maghreb wist Marokko in augustus 1984 een verdrag met kolonel Gaddafi af te sluiten, die daarop zijn militaire hulp naast bijdragen van 150 miljoen dollar aan het Polisario stopzette. Overigens erkende Lybië pas in 1980 de Sahara-Republiek omdat zo'n nieuwe staat niet past in zijn opvattingen over Arabische eenheid. Weliswaar eindigde de door het Amerika van Reagan met lede ogen aangeziene vriendschap weer snel. Als Hassan in augustus 1986 de Israëlische premier Peres bij zich ontvangt voor een gesprek wordt hij door Lybië en Syrië van `verraad' aan de Arabische zaak beschuldigd. Hassan beëindigt hierop de vriendschap met Gaddafi. Bij de Maghrebijnse top tijdens het herstel van de relaties met Algiers in 1988 geeft Khadaffi, weliswaar zonder zijn witte handschoenen uit te trekken, koning Hassan weer een hand. Op 11 augustus 1988 werd tenslotte door VN-secretaris-generaal Perez de Cuellar een vredesplan voorgesteld dat voorzag in een wapenstilstand en een referendum. Marokko en het Polisario gingen hiermee op 30 augustus accoord. Probleem blijft echter de interpretatie van het referendum. Het blijft dubbelzinnig of Marokko een werkelijke zelfbeschikking voor ogen staat of slechts een vorm van autonomie binnen Marokkaans verband. Hassan II wijst op een plaats voor de Sahara binnen de huidig voortschrijdende wetgeving van decentralisatie in Marokko: de Saharawies zouden `kunnen profiteren van dit plan tot regionalisering' [Le Monde 13-1-89] Van de circa 200.000 Marokkaanse burgers en militairen eist het Polisario daarbij terugtrekking als voorwaarde voor het houden van een referendum onder internationaal toezicht. Wie zijn daarbij Saharawies? Men baseert zich op de laatste Spaanse volkstelling van 1974. Maar alleen al het uitwerken van kieslijsten zal jaren gaan duren en kan veel onenigheid opleveren. In Tindouf zouden door Algerije nog nomaden uit de Sahel ondergebracht zijn die wegens de droogte een toevlucht op Algerijns grondgebied hadden gezocht. Perez becijfert de eventuele kosten van het organiseren van een referendum al op een 400 miljoen dollar. Begin december 1989 liet de koning overigens een referendum houden om de voor juni 1990 geplande verkiezingen tot 1992 uit te stellen om de VN in de gelegenheid te stellen in die periode het Sahara-referendum te organiseren. Bijna 100% van de kiezers stemden voor uitstel.

Op 4 en 5 januari 1989 ontving koning Hassan een delegatie van het Polisario in zijn paleis in Marrakech. Even leek er schot in het vredesproces te komen, maar al snel raakten de verhoudingen na het eerste hoopvolle contact weer danig bekoeld. Twee honderd Marokkaanse gevangenen werden ter bevordering van het vredesproces door het Polisario zomer 1989 vrijgelaten. Een voorstel van het Rode Kruis ter repatriëring werd echter door Marokkaanse autoriteiten afgewezen. Zonder door de koning verwelkomd te worden keerden zij uiteindelijk terug. Op 10 augustus 1989 liep een van de leidende figuren van het Polisario, Omar Hadrami, over naar Marokko. Deze was van het begin af aan bij het Polisario betrokken en van 1977-80 verantwoordelijk geweest voor de buitenlandse betrekkingen. Van 1982-88 was hij directeur van de militaire veiligheidsdienst om tenslotte in 1989 tot vertegenwoordiger in Noord Amerika gedegradeerd te worden. Het laatste Polisario-congres in april 1989 zou namelijk verdeeldheid aan het licht gebracht hebben onder groepen van het front; Mohammed Abdelaziz, de secretaris-generaal zou van `tribalisme' gesproken hebben [Le Monde 12-8-89]. Resultaat was dat drie leidende figuren, waarbij de minister van defensie en die van informatie en buitenlandse zaken mede zouden zijn opgestapt om naar mindere functies te worden overgeplaatst. Op 24 september 1989 bezocht Hassan II voor het eerst tijdens zijn 28 jarig bewind officieel Spanje. Het Polisario is daarbij bang dat Spanje bij de te sluiten militaire accoorden ook tot hulp tegen het front zal besluiten. Tegenover Spaanse journalisten verklaarde Hassan dat er geen politieke gevangenen meer in Marokko waren: "Er zijn slechts verraders in de gevangenis. Die landverraders hebben gezegd en geschreven dat de Sahara niet Marokkaans is (..) ik heb ze onder bescherming moeten stellen om geen publieke ordeverstoringen te krijgen. Ik verzeker U dat ze anders gelyncht zouden worden."[Le Monde 26-9-89] Tezelfdertijd werd de directeur van de Istiqlal-krant `L'opinion', Mohammed Idrissi Kaitouni, voor de rechter gedaagd aangezien in de krant een communiqué van een mensenrechtencommissie geciteerd was over "dubieuze sterfgevallen". Twee waren door marteling overleden en één aan de gevolgen van een hongerstaking. Dit is ook in Nederlandse kranten bekend geworden via de rapportage van de arts Annemarie Raat. "Ik heb als plicht die falsificatie te bestraffen, aangezien gewone misdadigers voor politieke gevangenen worden gehouden", verklaarde de koning. Op 9 november 1989 werd Kaitouni tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens "het verspreiden van valse informatie van ordebedreigend karakter", maar op 13 november werd gemeld dat hem door de koning gratie was verleend[10].

Ook militair gaat de strijd nog onverminderd door. In de eerste helft van october deed het Polisario aanvallen op Guelta-Zemmoer gelegen aan de zuidelijke grens van de Sahara en op de plaats Hauza in het Noorden. Er zouden volgens het Polisario respectievelijk 200 Marokkaanse militairen gedood zijn, daarna nog eens 190 doden naast 150 gewonden. Polisario zelf zou 80 man hebben verloren. Marokko maakte melding van een 14 gesneuvelden, waaronder een kolonel. Koning Hassan heeft hierop te kennen gegeven af te zien van verdere aan het Polisario te verlenen `audiënties'. Van `onderhandelingen' kan volgens hem nu eenmaal niet gesproken worden omdat "de Saharawies Marokkanen zijn" en met landgenoten `onderhandel' je nu eenmaal niet. Al gebeurde deze krachtmeting juist voor het jaarlijkse Sahara-debat in de VN, de toekomst wordt er niet rooskleuriger op.

CONCLUSIE.

Zullen de nationalismes in de Maghreb met elkaar in conflict blijven of zal de drang tot grotere eenheid het winnen? Steeds weer zien we het afbreken van de toenaderingen van beide partijen. Steeds weer tracht men tijd te rekken met blijkbaar de gedachte dat dat in het voordeel is van elk van beide partijen. Een oplossing lijkt in zicht maar onze schets van de problematiek maakte duidelijk dat voor overhaast optimisme geen aanleiding is. In deze zeer beknopte analyse leerden we het complexe Sahara-conflict zien vanuit zijn historische contekst. We zagen hoe oude commercile en religieuze banden tussen Marokko en de Sahara van aard veranderden. Naïeve westerse zucht naar avontuur en etnocentrisch beschavingsbewustzijn werden geëxploiteerd door een agressief militaire vorm van imperialisme dat de wereld aan zich wilde onderwerpen. Oude historische banden op grond van islamitisch recht verdwenen onder druk van een militair superieur kolonialisme dat met zijn totaal andere staatsopvattingen diepe conflicten opriep in de regio. Juridische oplossingen raakten daarbij in tegenspraak verwikkeld. Niet alleen nieuwe opvattingen van internationaal recht maar ook hedendaagse vormen van nationalisme en onafhankelijkheidsstrijd van de staten van de Maghreb bepalen nu het conflict in de contekst van de moderne natiestaat. Economische belangen van de verschillende partijen bij een voor ieder van hen voordelige oplossing compliceren daarbij nog het geschil. Politieke staatsformaties die uiteenlopen van seculiere progressiviteit tot religieus traditionalisme spelen een belangrijke rol. Inschatting van de mate van progressiviteit van politieke ontwikkelingen in Algerije, Lybië, Polisario en Marokko, naast de beoordeling van het succes dat deze regimes behalen om voor hun bevolkingen een leefwaardig democratisch bestaan te verschaffen zullen sterk het oordeel over het conflict bepalen . Zoals de ontwikkelingen in Algerije in october 1988 bewezen kan men zich daarbij echter vergissen. Een keuze voor of tegen het Polisario-Front betekent dus altijd ook een duidelijk politiek stellingnemen op grond van dergelijke argumenten en zal dus altijd ook afhankelijk zijn van de actuele politieke constellatie in de regio. Dit geldt in versterkte mate voor het gezichtspunt van de moderne westerse waarnemer aangezien de niet-westerse tradities die bij het conflict een grote rol spelen, voor hem nu eenmaal minder relevant zijn. Hopelijk stemt mijn poging tot het aanduiden van verwaarloosde historische achtergronden dus tot enige bescheidenheid bij de oordeelsvorming en tot een meer objectief inzicht in de aard van onderlinge conflicten van landen in de Derde Wereld die kampen met een koloniale erfenis en een crisis van moderniteit.

[Toegevoegd worden een aantal kaartjes met de genoemde plaatsen / een bibliografie over Sahara, met indicatie van de speciaal voor dit artikel gebruikte boeken. Gedetailleerde passages in kleine letter]

VOETNOTEN:


1. Het bezoek in begin januari van regeringsleden van het Polisario aan de Marokkaanse vorst kan wellicht zelfs als bai'a, als daad van erkenning van de koning (zie onder), uitgelegd worden.

2. Er wordt hier zeker niet gepretendeerd een volledige analyse te geven, er wordt slechts op oorspronkelijke wijze op vooral historische verbanden ingegaan.

3. Goud als standaard voor de waarde van geld is pas in de jaren vijftig van deze eeuw afgeschaft op de conferentie van Bretton Woods.

4.Ook de naam van de hoofdstad van Marokko Rabat, herinnert aan zo'n ribat. Een heilige man heet in Marokko nog steeds mrabet, maraboet; wordt ook als familienaam gebezigd.

5. Door de historicus Ruud Spruit -onder begeleiding van een Marokkaanse adviesgroep bestaande uit M.Chaoua, F. El Ouad en M. Semhi- wordt in een overzicht van de Marokkaanse geschiedenis "voor Marokkaanse kinderen" bestemd, Lyautey behandeld onder het hoofd `de goede maarschalk'. Zonder dat de groep door enige kennis van historische feiten gehinderd wordt herhaalt zij Frans-koloniale mythes: "Lyautey was helemaal niet van plan Marokko uit te buiten. Hij vond dat Marokko door Frankrijk geholpen moest worden, niet om Frankrijk er beter van te laten worden maar in het belang van de Marokkanen." [Marokkanen onder anderen. Leiden 1986, p.43.] Voor de apartheidsideologie van Lyautey en zijn praktijken van koloniale uitbuiting zie: Haleber 1989. Het wekt bevreemding dat men onkunde via medeplichtigheid van Marokkanen tracht te camoufleren.

6. De vorst als politiek en militair garant van de islamitische gemeenschap.

7. Het Polisario-Front was bij het advies niet betrokken aangezien slechts soevereine staten aan de raadpleging kunnen deelnemen.

8. Moumen Diouri, Réalités Marocaines, Parijs, 1988. Vanuit zijn anti-monarchistische visie ondersteunde hij zelfs het toebehoren van Mauretaans gebied aan een republikeins Marokko, cf. p. 154 e.v.

9. Gedurende de afgelopen twee jaar zijn de belangrijkste -de publieke opinie bepalende- Franstalige maanbladen als Lamalif, Kalima, Al Asas en Economie et Socialisme de een na de ander opgehouden te verschijnen hetgeen op een extreme verscherping van de repressie duidt.

terug naar de homepage van ron


KORTE BESCHIJVENDE BIBLIOGRAFIE WEST-SAHARA (Ron Haleber, mei 1988).

Maurice Barbier, Le conflit du Sahara Occidental. Paris, 1982. [historisch, juridisch en politiek gedegen standaardwerk met pleidooi voor zelfbeschikking; goede bibliografie]

Maurice Barbier, Trois Français au Sahara Occidental (1784-1786). Parijs, 1984. [historisch: eerste gedetailleerde beschrijvingen van de West-Sahara aan het eind van de 18e eeuw]

M. Bedjaoui, The struggle in the Western Sahara. Africa Quarterly, nr. 19, 3-4, 1980. [een Algerijn geeft de Algerijnse visie weer]

Abdelkhaleq Berramdane, Le Maroc et l'Occident: ch. 11: Le problème du Sahara occidental et le reclassement au sein des allances régionales. Parijs, 1987. [het conflict geplaatst in het kader van Marokko's internationale betrekkingen door een Marokkaanse in Frankrijk gepromoveerde jurist]

Jan Boers en Gep Eisenloeffel, Brandend zand en een verloren land. Intermediair 1986, nr 22. [recent politiek artikel van leden van de Middle East Research Associates uit Amsterdam n.a.v. bezoek bij Polisario met mat perspektief; weergave van het Marokkaanse standpunt afwezig]

--Cour Internationale de Justice, Recueil , Sahara Occidental, avis consultatif,texte en français et anglais des ordonnances du 3 janvier et du 22 mai 1975. Den Haag, 1975. C.I.J. Recueil, 1975. [de teksten van de Sahara-uitspraken uit 1975 van het Int. Gerechtshof in Den Haag; in het engels: International Court of Justice. Western Sahara, Advisory Opinion of 16 october 1975. Den Haag, ICJ, 1975]

Geneviève-M. Désiré-Vuillemin, Cheikh Ma el Ainin et le Maroc ou l'échec d'un moderne Almoravide. Paris, 1958. [goede studie over de beroemde Sahara-sheich; cf. La Bastide]

André Dessens, Le problème du Sahara occidental trois ans après le départ des espagnols. Maghreb-Machrek, nr. 83, 1979. [goed gedocumenteerde politieke en economische analyse; stelt dat het Polisario slechts instrument is van Algerijnen]

Attilio Gaudio, Le dossier du Sahara Occidental. Paris, 1978. [niet foutloze, geografische en antropologische beschrijving; deelt het Marokkaanse standpunt]

S.M. Hassan II, Le défi. Paris, 1976. [de Marokkaanse vorst aan het woord over o.a. 'de groene mars']

Tony Hodges, Western Sahara, The roots of a desert war. Westport, 1983. [goed gedocumenteerd standaardwerk met speciale aandacht voor de geschiedenis van de botsende regionale nationalisme's; met sympathie voor Polisario; sprak op IMNO in '86]

Dr.P.K.Huibregtse, De West-Sahara. Waarom het conflikt?. Amsterdam, 1984. [vlot journalistiek verslag van het conflict en de regio vanuit gekleurd Marokkaans standpunt]

Henri de La Bastide, Une grande famille du Sud-Marocain: les Ma el Aïnin. Maghreb-Machrek, nr 56, 1973. [historisch: beschrijft leven en werken van de beroemde sheich -en zijn zoons- die Smara stichtte en vanuit de Sahara tot aan Marrakech tegen de Fransen en Spanjaarden vocht; op de banden die hij met de door hem als islamitische 'emir al muminin' erkende Marokkaanse sultans had, grondt Marokko o.a. de claims]

Abdallah Laroui, L'Algérie et le Sahara marocain. Casablanca, 1976. [politieke stellingname van Marokkaans historicus]

Mohammed Maazouzi, L'Algérie et les étapes successives de l'amputation du territoire marocain. Casablanca, 1976. [goed gedocumenteerd overzicht van het historisch opschuiven van de Algerijnse grenzen ten nadele van Marokko]

John Mercer, Spanish Sahara. Londen, 1976. [de beste wetenschappelijke studie van het gebied op antropologisch en economisch gebied]

J.-L. Miège, Les origines de la colonie espagnole du Rio de Oro. in: Le Sahara, rapports et contacts humains Aix en Provence, 1967. [historisch: goede studie van de ideologische, politieke en economische redenen die de Spaanse kolonisatie van de West-Sahara veroorzaakten. Beschrijft het stichten van de voormalige kolonie]

--Polisario Komitee, De misdaden van het Marokkaanse regime tegen het Saharaanse volk; dossier over de onderdrukking in de Westelijke Sahara en Zuid-Marokko. Rotterdam, 1981. [strijdschrift van het Nederlandse komitee dat het standpunt van de R.A.S.D. uitdraagt; in 1984 verscheen brochure met getuigenissen van politieke gevangenen; idem, met handtekeningenaktie in 1987]

--Polisario Flash, Periodieke knipsel- en communiquékrant van de Polisario-vertegenwoordiging in de Benelux. Brussel.

Douglas Porch, The conquest of the Sahara. Oxford, 1986. [spannend en goed wetenschappelijk-journalistiek verslag van de absurde verovering van de Sahara door het Frans kolonialisme]

--Sahara Libre, Officiëel maandblad van de R.A.S.D., verschijnt in het Frans, Spaans en Arabisch. Algiers, sinds 1977.[geeft oncontroleerbaar nieuws van het front en het partijstandpunt]

David Seddon, Morocco at war: Military, political and economic dimensions of intervention in the Western Sahara. Norwich, 1986. [up to date paper voor congres in Oxford uit 1986 door bekende marxistische schrijver over Marokko; politieke stellingname voor Polisario]

Albert Stol, Onafhankelijkheid of sterven, de strijd van Polisario voor een vrij West-Sahara. Bussum, 1978. [journalistieke verdediging van het Polisario-standpunt]

Virginia Thompson & Richard Adloff, The Western Saharans, background to conflict. Londen, 1980. [heldere politieke, sociale en economische analyse van het conflict in de regio met goede bibliografie]

Frank E.Trout, Morocco's Saharian frontiers. Genève, 1969. [degelijk o.a. met 45 kaarten gedocumenteerd historisch standaardwerk over het probleem van de grenzen tussen Marokko en Algerije; beschouwt Tindouf en West-Sahara als Marokkaans]

Jerome B. Weiner, The green march in historical perpective, in: The Midle East Journal, vol.33, nr. 1, winter 1979,p. 20-33. [de Marokkaanse groene mars belicht door een historicus]

Ali Yata, Le Sahara occidental marocain, Rabat, 1972.. [politieke verdediging van de Marokkaanse communistische partijleider van het Marokkaanse standpunt]

Yahia Zoubir, Soviet Policy in the Magreb. Arab Studies Quarterly Volume 9, nr 4, 1987. [geeft met artikel van Zunes de actuele stand van zaken weer voor wat betreft de politiek van de grootmachten in de regio met bijzondere aandacht voor de West-Sahara]

Stephen Zunes, The United States and Morocco: The Sahara War and Regional Interests. Arab Studies Quarterly Volume 9, nr 4, 1987. [analyse van de actuele belangen en de politiek van de V.S.]

-------------------------------------------------
Ter inleiding eventueel te bestuderen:

Uit het boek van Hodges: Hoofdstuk 5, pag. 55-66; idem 8, p.85-99; en appendix, p.368-372. Het Intermediair-artikel van Boers en Eisenloeffel (3 pagina's).



terug naar de homepage


Add Me!