1. Commentaar op het interview door Farid Achahboun:
De Marokkaanse Nederlander Farid Achahboun geeft commentaar op het interview met een repliek van imam Abdulwahid van Bommel. De tekst is eveneens afgedrukt in het tijdschrift 'Begrip', voor de dialoog tussen moslims en christenen
De Redactie van Begrip: Farid Achahboun is één van de zeer zeldzame Marokkanen die heel duidelijk als moslim zijn mond opentrekt met zijn beargumenteerde pittige opinie over politiek in Nederland en over de Nederlandse politiek in het Midden Oosten. Hij schrijft daarover al jaren in Maghreb Online en staat daartoe in zijn stad Den Haag van tijd tot tijd in contact met leden van de 2e kamer. Dat leverde hem een onterechte berisping op van Geert Wilders in NOVA en daarna een rechtszaak. Ook de centrale rol van zijn vader bij diens eertijds uniek initiatief tot "herdenking van de in de tweede wereldoorlog gevallen Marokkanen" in Capelle - nu bij stadsbesturen in gretig gebruik - mag worden vermeld.
Op verzoek van Ron Haleber heb ik het interview met de heer van Bommel gelezen. Om eerlijk te zijn had ik moeite met het artikel. Deels vanwege het beeld dat ik van de heer Van Bommel voorheen had - en de harde en generaliserende stellingname die hij hier in dit interview inneemt. Het ene standpunt stemt duidelijk niet overeen met het andere. Ik vroeg me tijdens het lezen van het interview dus een paar keer hardop af, wat er met Van Bommel de afgelopen jaren toch gebeurd is.
Ik kende hem voorheen van zijn stukken en interviews op TV als een gematigde moslim die in goed en duidelijk Nederlands vragen over de islam beantwoordde zonder er een geheel eigen wending aan te geven. In het interview valt me daarom een aantal zaken op. Vooral de vraag die Ron Haleber stelde: "of de islam zal seculariseren?". Het antwoord van Van Bommel was: "ik ben bang van niet". Ik ben daarover verbaasd en vraag me af waarom een moslim daar eigenlijk bang voor zou moeten zijn?
Verder vind ik dat het begrip "fundamentalistische jongeren", vaag gedefinieerd wordt en dat het soms ten onrechte in een bepaalde vraagstelling wordt gebruikt. Wat is nou een fundamentalistische jongere? Wat maakt hem of haar fundamentalistisch? Geldt deze vage definitie van het fundamentalisme zoals Van Bommel die in het interview gebruikt niet voor alle religies en levensvisies? Ik vind het jammer dat Van Bommel geen afstand neemt van definities die men enkel op moslims tracht te projecteren.
Wat betreft de jongeren waar Van Bommel mee in discussie gaat, kan ik, gezien de houding jegens moslims in Nederland, begrijpen dat ze zich defensief opstellen en inderdaad elke vers en elke fatwa tot op de letter verdedigen... Maar maakt dat per se van een jongere een fundamentalist? Ik dacht van niet. Kortom, dit is mijn commentaar op de trend van het interview, zonder dat ik al te veel op details wil ingaan.
Van Bommel voelt zich mijns inziens, waarschijnlijk vanwege de harde confrontatie tussen allochtone moslims en de autochtone Nederlandse bevolking, in een hoek gedreven. Hij lijkt me daardoor niet alleen van mijn persoon vervreemd, maar ook van vele andere moslims. Alleen al uit dit interview meen ik op te maken dat Van Bommel meer op een sekteleider is gaan lijken, dan dat hij kan fungeren als spreekbuis voor welke moslimgroepering dan ook. Dat maakt van de man niet een mindere moslim of iets dergelijks, maar door een dergelijke positie in te nemen, en door zulke bewoordingen te gebruiken, plaatst hij zichzelf volgens mij buiten de wereld van vooral de jonge moslims.
Wat betreft die agente uit Amsterdam [door Van Bommel in het interview ter sprake gebracht], ik ken haar toevallig ook. Maar haar visie wil nog niet zeggen, dat anderen het fout zouden doen. Enfin, voorzover mijn commentaar.
Wat seks betreft is de islam duidelijk. Een vrouw mag zelfs scheiden wanneer haar man haar niet genoeg seksuele voldoening geeft. Orthodoxe joden daarentegen mogen tijdens de seksuele daad geen lichaamscontact hebben en slapen in hun pyama. Anno 2004 welteverstaan.
Als ik imaam Van Bommel , die als autochtoon tot de islam overging, eens met iemand anders mag vergelijken, dan wil ik nog wel eens een persoon ontmoeten die tot het jodendom bekeerd is en zich rabbijn mag noemen en die zich met zulke krachttermen en hautaine houding over het jodendom en joodse opvattingen over seks uit. En die dus mijns inziens in die godsdienst zijn eigen mening als feiten van een zogenaamde deskundige propageert...?
P.S. By the way, het antwoord op de vraag die bij Van Bommel opkomt, of moslims zich ook van het geloof zullen afwenden: Volgens de islam zal uiteindelijk naast de boodschap aan Abraham en Jezus ook de laatste boodschap aan de profeet Mohammed (vzmh) door de meerderheid van de mensheid naast zich neergelegd worden. Specifiek wordt gesteld dat er van de oemmah, die zich in meer dan 13 groepen zal splitsen, er uiteindelijk maar een klein groepje moslims zal overblijven.
2. repliek van imam Abdulwahid van Bommel.
Waarschijnlijk bedoelt Achahboun -ik zal hem voortaan dan maar A. noemen- waarschijnlijk niet dat ik in het interview tegenstrijdige standpunten inneem, maar dat de oude van Bommel die hij kende niet overeenstemt met de nieuwe van Bommel die hij nu leert kennen. Dus dan kan het misschien worden: Die twee beelden van Van Bommel kloppen voor mij niet of vormen een paradox, of iets dergelijks.
Om te beginnen vind ik dit inhoudelijk een interessantere reactie dan ik doorgaans krijg. Als ik de kritiek op mijn persoon en op mijn stellingname in in het interview goed begrijp, dan zijn er twee Van Bommel’s: een vroegere, gematigde en traditionele Van Bommel die zonder 'er een geheel eigen wending aan te geven' vragen over 'de islam' beantwoordde en een huidige Van Bommel die met een harde generaliserende stellingname aangeeft dat er 'iets met hem is gebeurd'. Inderdaad ben ik nu 37 jaar geleden tot de islam overgegaan en het zou mij verbazen als er in die tijd niets met mij was gebeurd.
Zowel bij de eerste als bij de tweede generatie Turkse en Marokkaanse moslims die ik vanaf de jaren zeventig heb leren kennen merk ik een volledige stilstand; een ‘rust op de plaats’ als het over 'de islam' gaat. Misschien is het moreel en spiritueel wel comfortabel om in een soort 'moslimpark' te geloven, zoals werd geschetst door een van die merkwaardige imams in NOVA. Een park met gesluierde vrouwen en getulbande mannen met een hek tussen hen en die boze heidense buitenwereld. Maar de islam predikt geen eilanddenken. We staan midden in het leven en we dienen de discussie aan te gaan en op open wijze te communiceren met iedereen. Het communicatie vacuüm dat we met z'n allen hebben gecreëerd, wordt duidelijk uit het TNS NIPO onderzoek dat in opdracht van de Volkskrant werd uitgevoerd: "Nederlander ziet moslim niet staan". We hoeven ons niet door dat soort onderzoeken en de artikelenreeks die eruit voortkwam te laten regeren, maar het is een signaal.
Waarmee we zijn aanbeland bij het punt dat ik mij in een hoek gedreven zou voelen vanwege de harde confrontatie tussen allochtone moslims en autochtone Nederlanders. Geenszins. Die confrontatie vindt namelijk helemaal niet plaats. Daar waar niet wordt gecommuniceerd, vindt ook geen confrontatie plaats. Er is geen contact tussen die twee partijen. Beide koesteren een idee over de ander zonder met elkaar van ideeën te wisselen. Vroeger ben ik inderdaad een paar keer - onder andere bij de Rushdie affaire – boven komen drijven als woordvoerder van 'de moslims'. Kort daarna heb ik op een bezinningsbijeenkomst in Rotterdam, waarvoor 'de moslims en de vertegenwoordigers van moslimorganisaties' waren uitgenodigd, bekend gemaakt dat ik dat nooit meer zou willen zijn. Juist omdat het niet meer mogelijk was voor mij om nog langer 'de moslims' of 'de islam' te vertegenwoordigen. Tot irritatie van een aantal moslimleiders heb ik toen en later getracht het begrip 'kwalitatieve vertegenwoordiging' in te voeren. Dit in tegenstelling tot het begrip 'kwantitatieve vertegenwoordiging'. Dat is geen hautain of sekteleider-gedrag. Het is om aan te geven dat je niet alles maar over 'de islam' mag zeggen als je een grote achterban hebt. Het gaat ook nog over inhoud.
Binnen dit punt past ook de verdediging van moslimjongeren die elk vers van de koran en elke fatwa alsmaar verdedigen. De verdediging van de verdediging. Inderdaad lijkt het mij gezond als er verandering optreedt in het denken van jongeren die alsmaar 'de islam' aan het goedpraten zijn tegenover boze geesten die hun mooie goede geloof aanvallen. Het gaat er niet om dat zij verzen van de Koran of fatwa's moeten veranderen. Hoewel fatwa's ook mensenwerk zijn. Het gaat erom dat moslimjongeren in de gaten krijgen dat zij de menselijke interpretatie ervan door dik en dun aan het verdedigen zijn en zich niet met de werkelijke betekenis bezig houden. Er is een gebrek aan zelfkritisch en zelfreflectief denken bij moslimjongeren. Ook is er nauwelijks of geen sprake is van een persoonlijke gewetensfunctie bij diezelfde jongeren. Ze hebben daarentegen wel behoefte om alsmaar van buitenaf aangereikt te krijgen wat er nou wel of niet is toegestaan door 'opa mufti'. Dit alles zou iemand als Achahboun junior zeer moeten verontrusten.
Ik ben het met hem eens dat het begrip fundamentalisme niet voldoende is gedefinieerd en dat het van toepassing is op alle levens- en wereldbeschouwingen. Op dit moment staan op het wereldtoneel de godsdienstige fundamentalisten vaak tegenover de seculiere fundamentalisten.
Dan de vraag 'of de islam zal seculariseren' en mijn antwoord 'ik ben bang van niet'. Dit interview bestaat uit een enorme hoeveelheid tekst en er is behoorlijk veel in geschrapt. Ondanks het feit dat dit dus een zeer korte samenvatting is van wat ik werkelijk heb gezegd, neem ik wel de verantwoordelijkheid voor die tekst. Wanneer ik zeg: 'ik ben bang van niet' betekent het niet dat ik letterlijk ergens bang voor ben. Het is een manier van spreken waarmee ik bedoel dat ik het buitengewoon zorgelijk vind en misschien zelfs wel rampzalig dat moslims moreel en intellectueel in een isolement verkeren waarin ze steeds verder verzeild raken. Dit komt mede omdat er alleen maar geoordeeld wordt vanuit de moslimgemeenschap en er vrijwel uitsluitend normerend wordt gedacht en gesproken, als het over de geseculariseerde wereld en het verschijnsel secularisatie zelf gaat. We dienen de handschoen op te pakken en na te gaan hoe we ons als moslims tot secularisatie moeten verhouden. De islam heeft een belangrijke bijdrage te leveren aan de mondiale problematiek, maar die komt op geen enkele wijze over het voetlicht.
Ma'a salâma,
Abdulwahid
Abdulwahid van Bommel in een lezing n.a.v. het boek Wankele waarden over:
ISLAM VANDAAG IN NEDERLAND.
Inleiding van islamdeskundige Abdulwahid van Bommel, een van de autuurs van het boek.
Gehouden op donderdag 19 juni 2003, Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden.
Bij elke uitleg over ‘hoe geloven en denken moslims’; ‘waarom praktiseren moslims zoals zij
doen’; ‘wat zegt de islam over’, etc. sta je voor de spanningsboog tussen de bronnen:
de
koran, de overlevering en veertien eeuwen interpretatie en tekstontwikkeling, en de actuele
islam zoals die zich voordoet in Nederland, in de landen van herkomst en in de media.
De discussie over moslimaanwezigheid in Nederland speelt zich echter af tussen de visie op
moslimgroeperingen die al een jaar of tien wordt weergegeven in de rapporten van de BVD en
nu de AIVD en de vreedzame ‘ouden van dagen islam’ die in de meer dan 400 gebedsruimten
van moslims in Nederland plaatsvindt:
Nederland is ‘een uitvalsbasis’ voor terroristen, een land waar veel groeperingen in de
illegaliteit werken. Tussen die illegalen zitten cellen van terroristische organisaties als Takfir Wal Hijra en de Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (GSPC), die verwant zijn aan Al Qa’ida, kopte de Volkskrant afgelopen zaterdag.
De wereld en levensbeschouwing van bewegingen als Takfier wa’l Hidjra en Al-Qaida zijn
voornamelijk gebaseerd op vijanddenken en het opnieuw opdelen van de mensheid in voor en
tegenstanders. Wat dat betreft zou president Bush zich in de fundamentalistische politiek van
deze bewegingen zeer thuis voelen, vanwege zijn basisprincipe: wie niet voor ons is, is tegen
ons. Woordvoerders van moskeeën als al-Foerqaan in Eindhoven en At Tawhied in
Amsterdam stigmatiseren – met dank aan NOVA – de laatste tijd de moslims en daarmee ook
het gezicht van ‘de islam’ in Nederland. 95% van de bevolking van Nederland luistert naar
5% van de moslims. De ‘islam van de grote bek’ kleurt het denken over de moslims in
Nederland omdat jammer genoeg de weldenkende meerderheid zich niet of veel te weinig laat
horen.
Het programma B&W, een goed bekeken talkshow op Nederland 3, besteedde enige tijd
geleden aandacht aan de nikaab, de volledige bedekking van de moslimvrouw op één of twee
ogen na. Een redelijk Nederlands sprekende moslimvrouw vertelde vanonder haar nikaab dat
zij op een conferentie voor vrouwen in Noorwegen het licht had gezien. Dat licht had een
lampenkap nodig en die had zij dan ook onmiddellijk opgezet. Of ze had teveel licht gezien en
dat gedoofd door middel van het opzetten van de nikaab. De link tussen ‘het licht zien’ en
‘spookvrouw worden’ ontging mij volkomen! De Commissie Gelijke Behandeling is dan ook
terecht tot een algemeen verbod gekomen. Nu kunnen de geestelijk leiders die dit
nikaabgebruik aanmoedigen de Takfier en Hidjrahwet in werking stellen. Nederland tot
heidens land verklaren – dat is in die kringen allang gebeurd – en vervolgens remigreren.
Nederland, gebied van de zonde, waar men niet volgens extreme opvattingen over
islamitische voorschriften mag leven, kan dan een zucht van verlichting slaken.
Volgens veel politici en media gaat het echter veel meer om een zucht náár verlichting. Critici
van de islam en/of moslims herhalen de laatste tijd dat de islam zijn eigen verlichting nog
moet meemaken. Hieruit blijkt dat we de twee perioden van de geschiedenis die Europa
samen met de islam heeft – namelijk die van de samenwerking tussen joden, christenen en
moslims in Bagdad en in Andalusia of moslim Spanje – tot belangrijke terreinen van
wetenschappelijk onderzoek zouden moeten verklaren. De belangrijke en cruciale invloed die
deze samenwerking zelfs in Europa had, bestond in de kern uit de door de islam aangereikte
rationalisering van religie en de daaruit voortkomende pogingen tot verzoening tussen geloof en rede, die op den duur dankbaar werden overgenomen in de christelijke visies op wetenschap.
Tijdens dit proces herontdekten Europese intellectuelen hun eigen roots zoals die werden
doorgegeven en in het Arabisch aangereikt door de moslims. Die wortels zaten namelijk diep in
de Griekse filosofie, en zij gaven de hierboven genoemde vertaalslagen, in Bagdad en Cordoba -
door joden, christenen en moslims gezamenlijk - via Latijnse vertalingen uit het Arabisch weer
naar Europa gekomen. Cultuurhistorici wijzen zelden of nooit op deze rol van de islam in de
Europese Middeleeuwen. Wel spreken ze over de reconquista, waarbij Spanje op de Moren
(sic!) werd heroverd. Het probleem is dat de huidige vertegenwoordigers van de
moslimminderheid in Europa niet bepaald tot de verlichte moslims behoren. Aan het woord zijn
vaak de halfweters die de hele islam verzieken, zoals halve dokters de hele patiënt laten sterven.
Iets langer dan een jaar geleden kwam Rekha Ramsaran met het idee om een aantal ethische
dilemma’s belicht vanuit islamitische bronnen te behandelen. Bij de presentatie van dit werk
hier en nu, wil ik proberen dat in een context te plaatsen.
Die context is in de eerste plaats de Nederlandse realiteit. Veel professionals onderhouden
directe contacten met allochtonen en autochtonen van allerlei komaf en culturele achtergrond,
en hebben veel meer inzicht in de mogelijkheden die emancipatie bieden – bijvoorbeeld door
middel van vrijwilligerswerk - om tot maatschappelijke integratie of inburgering te komen,
dan bijvoorbeeld Paul Scheffer (drama), Paul Cliteur (multi=mono) of Paul Schnabel (illusie).
De Nederlandse realiteit is dynamisch, dialogisch, interactief en hermeneutisch van aard.
Jammer genoeg is hierop bijna uitsluiten descriptief en normatief gereageerd. We beschrijven
de exotica van migranten en vluchtelingen vervolgens leggen we een norm aan. De laatste
luidde dat de islam een achterlijke cultuur is. Wat we ons, ondanks de ook door mij
onderschreven vrijheid van meningsuiting en de vaststelling dat de moslimcultuur volwassen
wordt door kritiek - te weinig afvragen is hoever het stigmatiserende en déhumaniserende
effect van deze diagnose reikt. Daarom zit de Nederlandse samenleving met de vraag van
publicist Elsbeth Etty opgezadeld: “Hoe kunnen mensen die te verstaan krijgen dat zij een
last, een probleem, een bedreiging of een drama vormen, op een behoorlijke manier
integreren?”
Wat is ethiek? Hoe ethisch ‘juist’ handelen bijvoorbeeld de medewerkers van Albert Hein
wanneer zij tot tweemaal toe, een dief weten te overmeesteren? Albert Hein zelf distancieert
zich en wenst geen advokatenkosten te dragen bij een rechtszaak. Wie was de dief? Was dit
misschien een minimumlijder die onder de armoedegrens zat en proletarisch winkelde? Was
het kenmerkend voor de ethiek van de situatie dat iemand als onze reactionaire en
opportunistische ex-prins de boete van de Albert Hein medewerkers betaalde? Ik laat deze
vragen open. Hoe ethisch was de vrijspraak van al-Moumni? Naar mijn mening was de weg
van ethiek naar rechtspraak op de juiste manier afgelegd indien hij nu weer in een dorp in het
Rifgebergte had zitten raaskallen. Mijn dilemma bevindt zich in mijn overtuiging dat zelfs hij
mag zeggen wat hij denkt te moeten zeggen. Maar, afgezien van zijn uitspraken over
homoseksualiteit is hij een prediker van haat en een vernietiger van menselijk geluk. Het is
een van zijn hobby’s om huwelijken te ontbinden van jonge mensen die tegen de wens van
hun ouders met elkaar zijn getrouwd.
Veel jonge moslims zitten in de gevangenis van een islam waarbinnen levenskwesties, - zoals
het zo mooi in de ondertitel van Wankele Waarden is genoemd - uitsluitend zijn toegestaan of
verboden door God. En een hoog percentage van de imams in Nederland zijn de
gevangenisbewaarders van die islam. Het mag of het moet… Het ethos van de koran, wordt
door dat boek zelf als een leidraad beschreven maar het is voor velen een halsband geworden.
Religie is niet het opleggen van een onmenselijk juk van onbegrepen wetten uitgekraamd door
imams die niet meer zijn dan papegaaien, religie is het celebreren; het vieren van het unieke
van ieder mens in zijn verhouding tot het goddelijke. Ieder mens dient daarbij voor zichzelf
vast te stellen wat in zijn of haar eigen leven de verhouding tussen rede en openbaring zou
moeten of kunnen zijn.
In hun onzekerheid hebben veel mensen de neiging om ethiek in wetsteksten te gieten. Dan
weet je waar je aan toe bent. Ook helpt dat om ethiek collectief te beleven. De joodse leer
staat net als de islamitische als nogal wettisch bekend en aan studenten wordt vaak de vraag
gesteld: “Hoeveel joodse wetten kent de leer?”. Het antwoord is dan: 664 en dat is de
optelsom van de botjes in het menselijk lichaam en de dagen van het joodse kalenderjaar.
Waarmee men wil aangeven dat wetten niet zomaar worden opgelegd vanuit een legalistische
hemel, maar dat ethiek ons net zo dicht op de huid zit als de tijd die wij hebben gekregen als
‘tijdvanleven’ en voor ons lichamelijke leven net zo’n raamwerk vormt als de botjes van ons
lichaam.
Hoewel religie nog wel lang een van de belangrijkste actoren zal blijven die het wagen kwaad
en goed te benoemen, ziet men haar meestal als een stagnatiefactor, die al wat
wetenschappelijk mogelijk is, steeds bevraagt met: mag alles wat kan?, zoals Kuitert het
formuleerde. Bij het onder woorden brengen van ethiek maken ‘gelovigen’ vaak gebruik van
regelrecht uit de heilige boeken afkomstige citaten, terwijl ethici gebruik maken van
analytische teksten die tot filosofische en morele concepten zijn verwerkt.
De islamitische ethiek betreft, zoals elke ethiek, vragen rond goed en kwaad. Het gaat om
vragen zoals: wat zijn waarden, is de mens in staat het goede van het kwade te
onderscheiden, welke criteria zijn te hanteren voor het onderscheiden van goed en kwaad,
wat behoren wij te doen.
In de Islam worden deze vragen op twee manieren benaderd. In de eerste, traditionalistische
benadering kunnen waarden alleen gekend worden door de openbaring te bestuderen.
Volgens de tweede, objectivistische benadering wordt er vanuit gegaan dat de waarheid
gekend kan worden door middel van de rede.
De traditionalisten hebben ten dele gelijk, omdat de rede op zich niet kan leiden tot ethische
geboden. Maar slechts ten dele, want de rede kan wel helpen bij een analytische interpretatie
van koran en overlevering om tot systematische beantwoording op nieuwe ethische
vraagstukken te komen. Moslimgeleerden die zeggen dat zij alle antwoorden kennen vanuit
uit het hoofd geleerde teksten, zijn dan ook misleid.
Veel moslims zijn verontrust omdat de traditie de huidige ethische problemen niet aankan.
Onder invloed van het hedendaags westerse ethische discours is de oorspronkelijke band
tussen ethiek en sjari’a – de vertaling van ethische richtlijnen in jurisprudentie, inderdaad
zwakker geworden of geheel verbroken.Volgens de traditionalistische visie wordt hierdoor
het debat over ethiek in de moslimwereld geheel verlamd of ernstig ondermijnd. Bijkomende
factoren zijn de in bijna elk moslimland verschillende verhoudingen binnen de trias politica
en de manier waarop de schriftgeleerden zich met de overheden verhouden.
Toch heeft de islamitische ethiek zich pas kunnen ontwikkelen nadat moslims tot het besef
kwamen dat ‘de islamitische wet’ op zich geen oplossing biedt. Het onderwijs van
islamitische geestelijken – en hier worden niet de imams bedoeld maar de ‘olamâ, de
schriftgeleerden – is dan ook noodzakelijk. Dit onderwijs kan bijdragen tot hervormingen
van ‘de leer’, zodat antwoorden ontwikkeld worden op ethische problematiek die door de
traditie alleen niet voldoende behandeld kunnen worden.
Tegen de achtergrond van deze overweging worden al 14 eeuwen lang
interpretatietechnieken aangewend om ook op eigentijdse problemen antwoorden te
formuleren.
“Zowel op de geschiedenis van de westerse geneeskunde als op die van de westerse ethiek
hebben islamitische geleerden een cruciale invloed uitgeoefend”, stelt de ethicus Hub Zwart.
“Een van de voornaamste strijdpunten van de klassieke islamitische filosofie betrof de
doctrine van de opstanding van het lichaam op de Jongste Dag, door sommigen (Al-Ghazali)
verdedigd, door anderen (Al-Farabi) aangevochten. Thans zijn er indicaties dat de uitleg van
lichamelijke integriteit zoals die in de westerse geneeskunde (inclusief haar medische ethiek)
tot uitdrukking komt, sterk van de islamitische uitleg van deze notie verschilt, zegt Zwart.
“Door artsen en anderen die op het terrein van orgaandonatie deskundig zijn wordt nogal eens
de suggestie gewekt dat binnen de islamitische minderheid in Nederland bepaalde morele
intuïties aangaande het lichaam werkzaam zouden zijn die in een sterke terughoudendheid
om als orgaandonor op te treden zouden resulteren. Deze terughoudendheid zou met name
worden ingegeven door de levensbeschouwelijk geïnformeerde wens de integriteit van het
lichaam ook na het overlijden in tact te laten, in plaats van organen voor onderzoek en
transplantatie beschikbaar te stellen”. Blijven we zitten met minstens drie vragen: Zijn
moslimdoelgroep en leefwereld werkelijk doordrongen van ‘een levensbeschouwelijk
geïnformeerde wens’? Betreft het hier een éénduidige wens? Bestaat er al een uitgewerkte
islamitische medische ethiek, anticiperend op de medische realiteit? Ik heb de neiging deze
drie vragen ontkennend te beantwoorden. Maar er wordt aan gewerkt.
De Islamic Code of Medical Ethics begint met een vers uit de koran waarin wordt gezegd dat
geleerden het meest godvrezend zij n (35:28), en dat de kor an zelf een bron van gezondheid en
genade is (17:82). Dit is onder meer om dui delij k te maken dat men het als een grote
verantwoordelijkheid beschouwt over zaken van leven en dood beslissende uitspraken te doen.
Hierin staat ook de eed van de arts, waarin wordt vermeld, dat het de taak van de arts is om
menselijk leven te beschermen en zich tot het uiterste in te spannen om het te redden van de
dood, ziekte, lijden, pijn en angst. In de bezinning die vooraf gaat aan leven- en dood beslissingen blijkt vaak dat moslimpatiënten en hun familie totaal niet op de hoogte zijn van wat er
op internationale moslimconferenties over medische ethiek wordt gezegd.
Het is donderdagavond en de familie Hodjic zit voor de buis. Het is kwart voor acht geweest
en de zender staat op RTL 4 , het journaal. De nieuwslezer vertelt over de ontwikkelingen op
het gebied van euthanasie en zegt dat steeds meer mensen van mening zijn dat het beslissen
over je eigen levenseinde een mensenrecht zou moeten zijn. Fikreta Hodjic reageert erg fel
hierop. Dit is toch ongelooflijk, zegt ze, zelf een beslissing nemen over je eigen leven en de
arts helpt je wel een handje. De medici zijn er toch juist voor je om je te genezen en je een
nieuw leven te geven. Ze begrijpt niet dat dit allemaal zo maar kan. Moeder Hodjic knikt
instemmend naar Fikreta en luistert aandachtig verder. Haar broer Smajl werpt een
geïrriteerde blik naar zijn zus, maar reageert toch maar niet, want eigenlijk heeft hij geen zin om weer met haar te debatteren over zo’n moeilijk onderwerp als euthanasie. Ze kunnen het
toch niet eens worden met elkaar.
Waar artsen en andere hulpverleners uitgaan van ‘door de argumenten der rede onderbouwde
ethiek’, redeneert de patiënt vaak vanuit een door 14 eeuwen islamitische praktijk gevormde
geloofszekerheid. Het is naast een morele intuïtie een mythologisch bewustzijn dat is vertaald
naar en wordt onderhouden door cyclische rituelen om greep te krijgen op de eeuwigheid, op
dood en leven en haat en liefde. Nederlandse hulpverleners hebben meestal een moderne
levenshouding die er mede vanuit gaat dat ons bestaan ‘maakbaar’ is geworden, ook op
medisch en biologisch gebied, terwijl moslims meer traditionele opvattingen huldigen waarbij
men de schepping als een geschenk van God beschouwd, waar we vanaf moeten blijven.
Een ethicus (Zwart, 1998) drukt het als volgt uit: “De urgentie om de schijnbare evidenties van
het gevestigde medische en medisch-ethische vertoog ter discussie te stellen, neemt toe
wanneer de gevestigde morele cultuur geconfronteerd wordt met andere culturen en religies,
dat wil zeggen met andere fundamentele mogelijkheden om het lichaam te ervaren”.
Duidelijkheid over wat wel of geen euthanasie is, kan van essentieel belang zijn. Er is een aantal
definities van euthanasie. Voor de verhandeling in Wankele Waarden gebruikte ik de volgende
definitie: “iedere vorm van levensbeëindigend handelen door een arts met het doel een einde te
maken aan uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt op diens verzoek”. Die van de
Staatscommissie in 1985, 26, luidt: “Euthanasie is een opzettelijk levensbeëindigend handelen
door een ander dan de betrokkene, op verzoek van die betrokkene”.
Spreken over euthanasie bi nnen de moslimgemeenschap is niet eenvoudig. Sommige
moslimjuristen zijn tot de conclusie gekomen dat er inderdaad een verschil bestaat tussen
actieve euthanasie en beëindiging van zinloos medisch handelen. Dit heeft ervoor gezorgd dat
de terminologie die in gesprekken tussen leken, artsen en ethici worden gevoerd, niet voor
alle partijen even helder is en soms ook juridisch of ethisch niet helemaal correct is. Daardoor
blijft het een grijs gebied waarbinnen ondraaglijk lijden, pijngrens en begrippen als zinvol of
zinloos medisch handelen moeilijk te definiëren of te meten zijn.
Mijn teksten in Wankele Waarden zijn geen fatwa’s waarin staat wat mag en moet. De
teksten nodigen uit om er binnen je eigen ontwikkelingstraject mee in dialoog te gaan. De
tekst bestaat niet uit naleefbare voorschriften en richtlijnen, maar doet een poging
islamitische ethiek met het mysterie van mens en schepping te verbinden. Veel moslims:
jong of oud, zijn op zoek naar de betekenis van hun eigen islamitische achtergrond. Het
gaat voor hen niet om een uit het hoofd geleerde wettische benadering van geloof. Het gaat
om de mens die zij aan het worden zijn in een niet-islamitische omgeving met weinig
oriëntatiepunten en veel vrijheid.
Het boek Wankele waarden. Levenskwesties van moslims belicht voor professionals is een
uitgave van FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, Utrecht
Noot: Thomas van Aquino, meester-Aristotelicus en top van de christelijke scholastiek, leefde rond 1240, en maakte gebruik van vertalingen door Willem van Moerbeke uit het Grieks. Voor hem werden bijvoorbeeld de hier genoemde vertalingen in het Latijn gebruikt.
Indien u commentaar op het interview of de discussie heeft, schrijf deze dan in het gastenboek - deze is dan eventueel op deze pagina te zetten: enter en klik op "post":